Uitspraak CBHO 2021/038

Bestreden beslissing:

De examencommissie heeft appellant wegens het plegen van plagiaat een sanctie opgelegd. Het cbe heeft het hiertegen door appellant ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: 

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.8. Zoals het College eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 6 juni 2016 in zaak nr. CBHO 2015/247.5) dient de vraag of sprake is geweest van fraude te worden beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven en zijn de intenties van de betrokken student in beginsel niet van belang.
2.9. Het College is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de commissie voor de examens, gelet op de overgelegde stukken, waaronder het werkstuk van appellant waarin door de examinator met kleuren is aangegeven welke overlap er is met de bachelorscriptie van de Universiteit Twente, plagiaat heeft aangetoond. Het werkstuk van appellant en de bachelorscriptie van de Universiteit Twente vertonen een dusdanig grote overlap in inhoud en opzet dat een toevalstreffer zeer onaannemelijk is. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat een eerste versie van het werkstuk 20% overeenkwam met die scriptie. Noch in administratief beroep bij verweerder noch in zijn beroepschrift noch ter zitting heeft appellant concreet inzichtelijk kunnen maken op welke punten de door de examinator uitgevoerde handmatige controle onjuist is.
Anders dan appellant aanvoert, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat een examinator een handmatige plagiaatcontrole uitvoert. In dit geval had de examinator daar alle aanleiding toe, aangezien appellant eerder een versie van het werkstuk had ingediend die grote overlap vertoonde met de al genoemde bachelorscriptie. Daar komt bij dat bij de plagiaatcontrole van de tweede versie weliswaar slechts 1% overlap was vastgesteld, maar dat de examinator bij lezing van het werkstuk de indruk kreeg dat er toch een grote overlap bestond.
Het College volgt evenmin het betoog van appellant dat de examinator ernstig in gebreke is gebleven bij de begeleiding van het onderzoek. De examinator heeft appellant er bij terugzending van de eerste versie van zijn werkstuk juist op gewezen dat er overlap met een andere scriptie bestond en hem in de gelegenheid gesteld zijn fouten te herstellen door het indienen van een nieuwe gewijzigde versie. Daarbij heeft de examinator hem bovendien nog gewezen op de bij de Open Universiteit geldende regels over plagiaat. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat de examinator, gelet op de geldende plagiaatregels, in het geval van appellant zeer coulant is geweest.
Ten aanzien van de aan appellant opgelegde sancties is het College van oordeel dat deze passend zijn. Ten aanzien van het ontnemen van de mogelijkheid om af te studeren met het judicium (summa) cum laude overweegt het College dat, anders dan appellant heeft aangevoerd, een juridische grondslag gelegen is in artikel 2.3.7, tweede lid, aanhef en onder d, van het Examenreglement. Dat appellant vertraging zal ondervinden van deze sancties en extra studiekosten zal maken, is inherent aan de opgelegde sancties. Voor een financiële tegemoetkoming is dan ook geen aanleiding.
Het betoog faalt.