Uitspraak CBHO 2021/027

Bestreden beslissing:

Voor de opleiding Research Master Religious Studies dient appellante het hoge instellingscollegegeldtarief te betalen, het beroep op de hardheidsclausule is afgewezen.

Het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing van het college van bestuur heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.5. Niet in geschil is dat appellante op 1 september 2019 is ingeschreven voor de reguliere masteropleiding Theology and Religious Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Zij stond op die datum ook ingeschreven voor de masteropleiding Public International Law aan de Universiteit Utrecht, zodat verweerder vanwege de overlap van de masteropleidingen het wettelijk collegegeld bij appellante in rekening heeft gebracht voor de reguliere masteropleiding Theology and Religious Studies in het studiejaar 2019 2020. Evenmin is in geschil dat appellante op 30 september 2019 haar masterdiploma voor de opleiding Public International Law heeft behaald.
2.6. Op 1 februari 2020 heeft appellante zich ingeschreven voor de researchmaster Theology and Religious Studies. Omdat zij op dat moment niet meer stond ingeschreven voor de masteropleiding aan de Universiteit Utrecht, was de uitzondering als bedoeld in artikel 2.3a van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 op dat tijdstip niet meer van toepassing. Ook de uitzonderingsgevallen van artikel 20 van het Inschrijvingsbesluit Universiteit van Amsterdam 2020 2021 zijn niet van toepassing. Naar het oordeel van het College stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat appellante op grond van deze bepalingen vanaf 1 februari 2020 het instellingscollegegeldtarief verschuldigd was, hetgeen verweerder voor het studiejaar 2019 2020 overigens niet in rekening heeft gebracht. Door appellante is dit laatste ook erkend. 
2.7. Appellante stelt zich echter op het standpunt dat verweerder in haar geval de hardheidsclausule had moeten toepassen. De wet- en regelgeving is geschreven voor toepassing in normale situaties, aldus appellante, en haar situatie betreft een uitzondering.
2.8. Appellante is op 1 september 2019, tijdens haar masteropleiding Public International Law, de masteropleiding Theology and Religious Studies gaan volgen, waarvoor op grond van wet- en regelgeving het wettelijk collegegeldtarief in rekening werd gebracht. Zou zij in plaats van de reguliere masteropleiding op dat tijdstip zijn begonnen met de researchmaster Theology and Religious Studies, dan had zij eveneens slechts het wettelijk collegegeld hoeven te betalen. Door de overstap van de reguliere master Theology and Religious Studies naar de gelijknamige researchmaster, nota bene op aanraden van haar docenten van die masters, is zij in de situatie gekomen dat verweerder het instellingscollegegeldtarief bij haar in rekening mocht brengen. Het College begrijpt dat deze samenloop van omstandigheden ongelukkig uitpakt voor appellante.
Dat neemt niet weg dat de wetgever in de wet- en regelgeving uitdrukkelijk heeft bepaald dat voor één bachelor- en één masteropleiding het wettelijk collegegeld is verschuldigd, en dat slechts onder bepaalde voorwaarden een tweede masteropleiding tegen het wettelijk collegegeldtarief kan worden gevolgd. Appellante voldeed bij de overstap niet meer aan deze voorwaarden, omdat zij feitelijk een derde masteropleiding ging volgen. Zij heeft uiteindelijk zelf de keuze gemaakt om over te stappen naar de researchmaster die, ondanks de gelijkluidende naam, als een andere masteropleiding moet worden aangemerkt. Beide opleidingen hebben immers een ander croho-nummer en voor de researchmaster gelden andere, zwaardere, toelatingseisen dan voor de reguliere master. Bovendien kent de researchmaster in tegenstelling tot de reguliere opleiding een langer, tweejarig programma waarin de nadruk meer ligt op onderzoeksvaardigheden en op onderzoek in het vakgebied.
Ten aanzien van het betoog van appellante dat de Centrale Studentenadministratie haar namens verweerder eerder had moeten in- dan wel voorlichten over de financiële consequenties van de door haar gemaakte keuze, overweegt het College dat de Centrale Studentenadministratie haar vanuit het perspectief van dienstverlening wellicht in een eerder stadium had kunnen voorlichten over de financiële consequenties van de door haar gemaakte keuze, maar daartoe niet was gehouden. Overigens is verweerder appellante tegemoetgekomen door voor het na 1 februari 2020 resterende deel van het studiejaar 2019 2020 niet het hogere instellingscollegegeldtarief in rekening te brengen, ondanks dat dit over die periode wel verschuldigd was.
Appellante heeft voorts nog gewezen op een brief van de secretaris van de Raad van Toezicht van de Universiteit van Amsterdam van 2 maart 2021, per e mail aan haar verzonden. Naar het oordeel van het College heeft de Raad van Toezicht in die brief geen standpunt ingenomen ten aanzien van de toepassing van de hardheidsclausule, nog daargelaten of aan dat standpunt de waarde gehecht kan worden die appellante daaraan toegekend wil hebben.
Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat verweerder heeft mogen afzien van toepassing van de hardheidsclausule.
Het betoog van appellant faalt.