Uitspraak CBHO 2021/001

Bestreden beslissing:

De directeur van het Studenten Service Centrum heeft namens het college van bestuur afwijzend beslist op het verzoek om het wettelijk tarief in rekening te brengen voor de masteropleiding Nederlands Recht.

Het college van bestuur van de Universiteit Maastricht heeft het bezwaar van appellant tegen de afwijzing ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing op bezwaar heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: 

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.10. Het College ziet geen aanleiding om de beslissing van het college van bestuur onjuist te achten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Bestuursrechtelijke normen

2.10.1. Naar het oordeel van het College is geen sprake van een schending van bestuursrechtelijke normen. De e mail van de studentendecaan van 3 juni 2020 is, gelet op de inhoud en strekking daarvan, terecht niet gekwalificeerd als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Uit de inhoud van de e-mail valt af te leiden dat de studentendecaan bedoeld heeft om informatie te verstrekken en dat niet is beoogd een beslissing te nemen die op enig rechtsgevolg is gericht. De e-mail bevat verder geen rechtsmiddelenclausule, wat ook een indicatie is dat niet beoogd is om een Awb-besluit te nemen. Verder heeft de studentendecaan zich, zo valt uit de e-mail op te maken, ook niet bevoegd geacht een beslissing op het verzoek van appellant te nemen, omdat zij immers in de e mail heeft vermeld dat indien haar informatie en uitleg in de e-mail voor appellant niet volstaat, appellant zijn verzoek gericht aan de directeur SSC, kan indienen bij het CSP. In de beslissingen van 3 juli 2020 en 17 november 2020 is verder ook toereikend gereageerd op de stellingen van appellant op dit punt.

Het College ziet verder geen aanleiding om de kwalificatie van de brieven van appellant van 4 juni 2020 en 14 augustus 2020 door de universiteit als een schending van bestuursrechtelijke normen aan te merken, te minder nu appellant hierdoor op geen enkele wijze (procedureel) is benadeeld.

Voor de bezwaarprocedure geldt ingevolge artikel 7.63b, eerste lid, van de WHW een beslistermijn van tien weken. In dit geval is de bezwaarprocedure begonnen op 14 augustus 2020 en geëindigd met de beslissing van 17 november 2020. Dit betekent dat de beslistermijn is overschreden, maar appellant heeft het college van bestuur, nadat die termijn verstreken was, niet schriftelijk in gebreke gesteld ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Er bestaat derhalve geen aanleiding om het college van bestuur een dwangsom op te leggen wegens het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar.

Hoogte collegegeld

2.10.2. Volgens het College heeft het college van bestuur op goede gronden geconcludeerd dat appellant het instellingscollegegeld verschuldigd is voor de master Privaatrecht. Het college van bestuur stelt terecht dat appellant voor de inschrijving voor de master Privaatrecht niet onder artikel 7.45a van de WHW valt. De situatie van de masters GK en RA is niet identiek aan die van de master Privaatrecht. De masters GK en RA zijn namelijk gestart voordat de eerste master CCN was afgerond, zijn gelijktijdig met de eerste master gevolgd en sindsdien onafgebroken voorgezet. Daarmee valt appellant voor die masters onder de “uitbreiding voor aanspraak op wettelijk collegegeld bij gelijktijdig gevolgde opleidingen” als bedoeld in artikel 2.3a van het Uitvoeringsbesluit. Voor die masters betaalt appellant dan ook éénmaal het wettelijk collegegeld op grond van artikel 7.48, eerste lid, WHW. Voor de inschrijving van de master Privaatrecht voor het studiejaar 2020-2021 gaat dit echter niet op omdat appellant voordat hij zich voor die master inschreef al de mastergraad voor de eerste master CCN had behaald. Dit betekent dat appellant voor de master Privaatrecht niet valt onder artikel 2.3a van het Uitvoeringsbesluit; hij voldoet immers niet aan de eis dat hij “voor de eerste keer een opleiding volgt en zich voor het behalen van de aan die opleiding verbonden graad heeft ingeschreven voor een of meer andere opleidingen”. Ook valt appellant niet onder artikel 7.45a, eerste lid, WHW. Appellant voldoet immers niet aan de aanvullende eis voor een masterinschrijving, te weten “dat de student volgens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald”. Voor de vraag of artikel 7.45a, eerste lid, WHW van toepassing is, is de eerste master CCN bepalend (en daarvoor is reeds de mastergraad behaald), en vormen niet de masters GK en RA het uitgangspunt, zoals appellant kennelijk betoogt. Artikel 7.48, eerste lid, WHW is evenmin van toepassing, nu die bepaling betrekking heeft op “een student als bedoeld in artikel 7.45a”, en, zoals reeds is vastgesteld, appellant niet onder artikel 7.45a van de WHW valt.

Hardheidsclausule

2.10.3. Naar het oordeel van het College heeft het college van bestuur zich op het standpunt kunnen stellen dat er in dit geval geen grond bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. Voor zover appellant stelt dat zijn belangen niet zijn verkend in de bezwaarprocedure en daardoor niet al zijn belangen zijn meegewogen, heeft appellant niet onderkend dat het aan hem is om voor de toepassing van een hardheidsclausule relevante belangen aan te dragen en uiteen te zetten. In de procedures bij de universiteit heeft appellant uitsluitend naar voren gebracht dat hij met de master Privaatrecht civiel effect behaalt en een beter carrièreperspectief verkrijgt. De toen door appellant naar voren gebrachte belangen zijn afgewogen. Het college van bestuur is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat de toepassing van de aan de orde zijnde regels in dit geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 37 van het Inschrijvingsbesluit.

Appellant heeft in beroep bij het College nog naar voren gebracht dat hij door de afwijzing eerder zal afstuderen doordat hij zich niet zal kunnen inschrijven voor de master Privaatrecht, waardoor hij zijn lidmaatschap als vertegenwoordiger (en dus ook zijn inkomsten) zal verliezen. Het College kan en mag in deze fase van de procedure geen rekening met deze omstandigheid houden. Het beroep is gericht tegen de beslissing van 17 november 2020 en omdat appellant deze omstandigheid in zijn verzoek noch in de bezwaarprocedure bij het college van bestuur naar voren heeft gebracht, vormt die omstandigheid geen onderdeel van de beslissing. Daarom kan die omstandigheid ook geen onderdeel uitmaken van de inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Minnelijke schikking

2.10.4. Het College ziet geen aanleiding om te oordelen dat van de zijde van de universiteit onvoldoende inspanningen zijn verricht om een minnelijke schikking te beproeven. Dat aan appellant, zoals hij ter zitting van het College heeft gesteld, uiteindelijk geen concreet schikkingsvoorstel is gedaan, bijvoorbeeld in de vorm van het betalen van een lager bedrag aan collegegeld voor de master Privaatrecht, betekent niet dat er onvoldoende inspanningen zijn verricht. De universiteit heeft in voldoende mate bezien wat partijen verdeeld houdt en of het geschil op een andere wijze kon worden opgelost.

2.10.5. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepsgronden falen.

2.11. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop is er geen aanleiding voor Schadevergoeding.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding