Uitspraak CBHO 2020/186

Bestreden beslissing: 

De examencommissie heeft afwijzend beslist om afgifte van getuigschriften.

Het CBE van de Universiteit Utrecht heeft het administratief beroep tegen de afwijzing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

Getuigschrift Culturele Antropologie
2.5. Appellante betoogt dat haar een getuigschrift voor de bacheloropleiding Culturele Antropologie moet worden verstrekt op grond van de studieresultaten die zij in het verleden heeft behaald.
 Appellante stelt zich op het standpunt dat zij op basis van die studieresultaten in 2006 het bachelorexamen Culturele Antropologie heeft behaald. Dit volgt volgens haar uit een brief van de examencommissie van 1 maart 2006. Volgens appellante doet het feit dat zij destijds niet was ingeschreven en zich ook niet opnieuw heeft ingeschreven er niet aan af dat zij in 2006 het bachelorexamen heeft behaald. Daarom moet volgens haar alsnog een getuigschrift worden verstrekt. De WHW staat daar volgens haar appellante niet aan in de weg. Voor zover de OER zich zou verzetten tegen het verstrekken van een getuigschrift voor een reeds in 2006 behaald examen, is die regeling volgens haar in strijd met de WHW. Appellante wijst er voorts op dat zij op het moment waarop zij onderwijs volgde en de tentamens heeft afgelegd, wel was ingeschreven als student.
Appellante betoogt verder dat het CBE er in haar geval ten onrechte van is uitgegaan dat voor het verstrekken van een getuigschrift moet zijn voldaan aan de in 2020 geldende exameneisen voor de bacheloropleiding. Dat zou volgens haar het onterechte gevolg hebben dat een eerder behaald examen door het verloop van de tijd zijn waarde verliest.

2.5.1. Het CBE stelt zich op het standpunt dat, voor zover appellante in 2006 op grond van haar eerder behaalde studieresultaten het bachelorexamen Culturele Antropologie zou hebben behaald, destijds in ieder geval niet was voldaan aan de overige voorwaarden voor het verstrekken van een getuigschrift. Die voorwaarden waren opgenomen in het toenmalige artikel 7.58 van de WHW. Het CBE stelt dat appellante zich destijds niet voor de bacheloropleiding heeft ingeschreven en ook geen formeel verzoek als bedoeld in die bepaling heeft ingediend. Gelet hierop hoeft volgens het CBE nu niet alsnog een getuigschrift te worden verstrekt.
Het CBE stelt zich verder op het standpunt dat een nieuwe aanvraag ook niet kon worden gehonoreerd, omdat appellante niet voldoet aan de in 2019/2020 geldende exameneisen voor de bacheloropleiding Culturele Antropologie en er voor de huidige, sterk gewijzigde, opleiding maar een beperkt aantal vrijstellingen kan worden gegeven op grond van haar eerdere studieresultaten.
2.5.2. In de brief van de examencommissie van 1 maart 2006 staat het volgende: “Naar aanleiding van uw schrijven van 27 februari 2006 deel ik u mee, dat de examencommissie culturele antropologie uw studievoortgang t/m het studiejaar 1994-1995 bekeken heeft. De commissie is tot de conclusie gekomen dat op basis daarvan aan u het bachelordiploma culturele antropologie uitgereikt kan worden. Wel dient u zich eerst nog bij de Centrale Studentenadministratie van de UU te laten registreren als student van de bacheloropleiding culturele antropologie. Nadat u als student CA geregistreerd bent, kunt u het bachelordiploma aanvragen.”
2.5.3. Een verzoek zoals hier aan de orde dient te worden beoordeeld naar het recht zoals dat geldt op het tijdstip van het verzoek. Dat is in dit geval het recht zoals dat in het studiejaar 2019/2020 van kracht was. Appellante erkent dat niet is voldaan aan de exameneisen in de in 2019/2020 geldende OER voor de bacheloropleiding Culturele Antropologie en dat ook niet voldoende vrijstellingen voor het huidige programma van die opleiding kunnen worden verleend. Het College overweegt in dit verband ook dat artikel 5.11, eerste lid, van de OER 2019/2020 een uitzondering mogelijk maakt op het uitgangspunt dat behaalde onderdelen en vrijstellingen onbeperkt geldig zijn. In dit geval heeft de examencommissie zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een aanzienlijk deel van de kennis en inzichten die appellante tijdens haar studie in de jaren negentig heeft verworven aantoonbaar verouderd is. Als gevolg daarvan kunnen ook niet alle in het verleden behaalde onderdelen worden omgezet in vrijstellingen voor onderdelen van het huidige studieprogramma.
Dit betekent dat appellante bij een toetsing aan de exameneisen zoals die in het studiejaar 2019/2020 golden geen aanspraak kan maken op een getuigschrift voor de bacheloropleiding Culturele Antropologie.
2.5.4. Het College begrijpt het betoog van appellante zo dat zij van mening is dat zij op grond van de in het studiejaar 2005/2006 geldende exameneisen aanspraak kan maken op een getuigschrift. Appellante heeft duidelijk gemaakt dat zij er geen bezwaar tegen heeft wanneer op het getuigschrift wordt vermeld dat het bachelorexamen is behaald in 2006, dan wel op basis van de in 2006 geldende exameneisen.
Anders dan appellante betoogt, is naar het oordeel van het College in 2006 niet komen vast te staan dat appellante het bachelorexamen Culturele Antropologie heeft behaald. De brief van 1 maart 2006 kan niet als vaststelling van het behalen van dit examen worden beschouwd. Uit de brief kan weliswaar worden afgeleid dat de behaalde studieresultaten volgens de toen geldende normen toereikend waren voor het behalen van het bachelorexamen Culturele Antropologie. Uit die brief blijkt echter ook dat voor het verkrijgen van een getuigschrift een inschrijving als student – met de verplichting tot betaling van collegegeld – en een officiële aanvraag vereist waren. De brief van 1 maart 2006 houdt daarom uitsluitend een toezegging in dat appellante het bachelordiploma met succes zou kunnen aanvragen, mits aan deze voorwaarden werd voldaan. Zoals de examencommissie ter zitting heeft toegelicht, moest bovendien nog een aantal studieresultaten uit het oude programma worden omgezet in een vrijstelling om het bachelorexamen Culturele Antropologie daadwerkelijk te behalen. Appellante heeft zich, vanwege de persoonlijke omstandigheden die eerder zijn aangeduid in overweging 2.2, niet ingeschreven bij de opleiding en geen aanvraag ingediend. Als gevolg daarvan zijn destijds ook geen vrijstellingen verleend.
Het voorgaande betekent dat appellante in het studiejaar 2005/2006 het bachelorexamen Culturele Antropologie niet heeft behaald en bovendien niet aan de overige eisen voor de verstrekking van een getuigschrift heeft voldaan.
Nu het examen destijds niet is behaald, is de vraag of de examencommissie in 2020 alsnog een getuigschrift had moeten verstrekken voor een in 2006 behaald bachelorexamen niet meer aan de orde.

2.5.5. Zoals onder 2.5.3 is vermeld, is het uitgangspunt dat een verzoek zoals hier aan de orde moet worden beoordeeld naar het recht zoals dat geldt op het tijdstip van de aanvraag. Het College zal beoordelen of de examencommissie op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, bij de beoordeling in 2020 een uitzondering op dit uitgangspunt had moeten maken door alsnog vast te stellen dat volgens de exameneisen zoals die in het studiejaar 2005/2006 van kracht waren het bachelorexamen Culturele Antropologie is behaald en daarvoor een getuigschrift te verlenen.
De toezegging van de examencommissie die in de brief van 1 maart 2006 is vervat, heeft naar het oordeel van het College een voorwaardelijk karakter. Zoals onder 2.5.4 is vermeld, heeft appellante zich in het studiejaar 2005/2006 niet ingeschreven bij de opleiding en geen formele aanvraag gedaan, met als gevolg dat destijds ook geen vrijstellingen zijn verleend. Het College is bovendien van oordeel dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de toezegging alleen lopende het studiejaar 2005/2006 gold en inhield dat zij een bachelordiploma Culturele Antropologie zou krijgen als zij zich in dat studiejaar nog als student zou inschrijven. Appellante mocht aan de brief van 1 maart 2006 in ieder geval niet het vertrouwen ontlenen dat zij vele jaren later alsnog aanspraak op een getuigschrift volgens de in 2005/2006 geldende exameneisen zou kunnen maken. Het College heeft begrip voor de persoonlijke omstandigheden van appellante die ertoe geleid kunnen hebben dat zij zich pas in 2020 opnieuw tot de examencommissie heeft gewend, maar is van oordeel dat die omstandigheden niet met zich brengen dat de brief van 1 maart 2006 een toezegging voor onbepaalde tijd inhoudt. Het College acht verder van belang dat de in de negentiger jaren behaalde studieresultaten dateren van ruim voor de invoering van het bachelor-masterstelsel in 2002. Op het moment van de toezegging in 2006 golden nog overgangsregelingen voor opleidingen oude stijl, maar in 2020 waren deze al lange tijd vervallen. Van belang is voorts dat uit de beslissing van de examencommissie van 29 mei 2020 blijkt dat zij nog altijd bereid is om voor een deel van de door appellante behaalde onderdelen vrijstellingen te verlenen. Voor de overige onderdelen heeft de examencommissie, het ingevolge artikel 7.12, tweede lid van de WHW bij uitstek deskundige orgaan, er in redelijkheid van kunnen uitgaan dat de verworven kennis en inzichten aantoonbaar verouderd zijn (zie overweging 2.5.3). Deze beperking van de geldigheidsduur van behaalde resultaten is in artikel 7.10, vierde lid, van de WHW en artikel 5.11, eerste lid, van de OER voorzien en leidt naar het oordeel van het College in dit geval niet tot een schending van het vertrouwensbeginsel.
Overigens heeft appellante zich in het studiejaar 2019/2020 niet ingeschreven en geen collegegeld betaald, zodat ook in zoverre niet aan de eisen voor het verstrekken van een getuigschrift is voldaan.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de examencommissie in redelijkheid heeft kunnen besluiten om aan appellante geen getuigschrift voor de bacheloropleiding Culturele Antropologie te verstrekken. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat het CBE het administratief beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard.
2.5.6. De beroepsgrond slaagt niet.
 

Getuigschrift Pedagogische Wetenschappen
2.6. Appellante betoogt dat zij op grond van haar eerdere studieresultaten in 2006 voldeed aan de exameneisen voor de bacheloropleiding Pedagogische Wetenschappen en dat op grond daarvan alsnog een getuigschrift moet worden verstrekt. Zij voert grotendeels dezelfde gronden aan als ten aanzien van de opleiding Culturele Antropologie. Daarnaast betoogt zij dat de examencommissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij in 2006 niet aan de exameneisen voor de bacheloropleiding Pedagogische Wetenschappen voldeed, in het bijzonder wat betreft het vak Diagnostiek.
2.6.1. Het College verwijst allereerst naar overweging 2.5.3 e.v. van deze uitspraak. Daarnaast is naar het oordeel van het College in 2006 geen toezegging gedaan met betrekking tot de opleiding Pedagogische Wetenschappen. De brief van 1 maart 2006 gaat alleen over de opleiding Culturele Antropologie en niet over de opleiding Pedagogische Wetenschappen. Ook uit andere stukken is niet gebleken dat de examencommissie zich destijds heeft uitgesproken over de vraag of appellante inhoudelijk aan de eisen voor een bachelordiploma Pedagogische Wetenschappen voldeed.
Hieruit volgt dat de examencommissie geen getuigschrift voor de bacheloropleiding Pedagogische Wetenschappen aan appellante hoefde te verstrekken. Gelet hierop hoeft niet meer te worden beoordeeld of appellante in 2006 voldeed aan de inhoudelijke eisen voor het bachelorexamen Pedagogische Wetenschappen en of de examencommissie dit op de juiste manier heeft beoordeeld.
De beroepsgrond slaagt niet.