Uitspraak CBHO 2021/020

Bestreden beslissing:

Twee toetsen van het onderzoekspracticum zijn door de examinator met een onvoldoende beoordeeld. Appellant is uitgesloten van verdere deelname een het vak en van het masterscriptietraject.

Het CBE van de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft het administratief beroep van appellant tegen die beslissingen ongegrond  verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond en verzoek tot schadevergoeding afgewezen. 

Hoofdoverwegingen:

2.9. In wat appellant aanvoert, ziet het College geen grond voor het oordeel dat de beslissing van verweerder niet in stand kan blijven. Het College overweegt hiertoe als volgt. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de beslissing van 22 oktober 2019, waarbij aan appellant is meegedeeld dat hij geen eindcijfer zal ontvangen voor het Onderzoekspracticum, in strijd is met artikel 7.13, tweede lid, van de WHW. Deze bepaling maakt het mogelijk dat in de Onderwijs- en Examenregeling regels worden vastgelegd over de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens. Uit deze bepaling volgt niet de verplichting voor de instelling om een student binnen hetzelfde studiejaar een herkansing aan te bieden. Verweerder verwijst in dit verband terecht naar de uitspraak van het College van 26 mei 2013, zaak nr. 2012/249 (zie www.cbho.nl).. Appellant kan evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat de beslissing van 22 oktober 2019 in strijd is met artikel 7.34, eerste lid, van de WHW. Appellant is de toegang tot het onderwijs niet ontzegd. Hij heeft immers kunnen deelnemen aan het Onderzoekspracticum. Dat dit vak is opgesplitst in verschillende onderdelen en dat bepaalde onderdelen met een voldoende moeten zijn afgerond alvorens andere onderdelen kunnen worden gevolgd, betekent niet dat appellant geen toegang tot het vak heeft, vergelijk de uitspraak van het College van 1 april 2020, zaak nr. 2019/203 (zie www.cbho.nl) . Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de beslissing van verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Verder kan het beroep van appellant om het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Het College overweegt hiertoe dat verweerder gemotiveerd uiteen heeft gezet dat in zaak nr. 18.287 de student op alle beoordelingspunten een voldoende had gescoord. Daarom viel niet in te zien waarom deze beoordelingspunten konden leiden tot een onvoldoende beoordeling. In deze zaak heeft appellant op een aantal beoordelingspunten wel een onvoldoende gescoord. Van gelijke gevallen is daarom geen sprake. Het College overweegt verder dat appellant met zijn betoog vooral ingaat op de beoordelingen van 4 en 21 oktober 2019. Zoals het College eerder heeft overwogen kan ingevolge artikel 7.66, tweede lid, van de WHW, gelezen in verbinding met artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een beoordeling van kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Deze bepalingen staan eraan in de weg dat door het instellen van beroep tegen een beslissing van een college van beroep voor de examens een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een beslissing die als zodanig van bestuursrechtelijke rechtsbescherming is uitgezonderd. Dit betekent dat het College slechts kan onderzoeken of verweerder terecht de vaststelling van het cijfer in stand heeft gelaten omdat bij de beoordeling is voldaan aan de voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb, de WHW of enig andere wet in formele zin zijn gesteld. Het is het College uit de stukken in het dossier en hetgeen appellant heeft aangevoerd niet gebleken dat bij de beoordeling van de deelopdrachten niet is voldaan aan de voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb, de WHW of enig andere wet in formele zin zijn gesteld.
Het betoog slaagt niet.