Uitspraak CBHO 2021/040

Bestreden beslissing:

Op het verzoek om gedurende het studiejaar 2020-2021 collegegeldvrij te morgen besturen is afwijzend beslist omdat het verzoek te laat is ingediend.

Het college van bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing op bezwaar heeft appellant beroep bij het CBHO ingediend.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.5. In hetgeen appellant aanvoert, ziet het College geen grond voor het oordeel dat de beslissing van verweerder niet in stand kan blijven. Het College overweegt dat vast staat dat appellant zijn aanvraag voor collegegeldvrij besturen op 2 november 2020, en dus te laat, heeft ingediend. Uit de Regeling Profileringsfonds volgt namelijk dat de aanvraag vóór 1 september 2020 moet zijn ingediend. De Regeling Profileringsronds bevat daarnaast een coulanceregeling, inhoudende dat bij overmacht aan de zijde van de student, de student tot 1 oktober kan melden dat hij zijn aanvraag niet tijdig kan indienen. Ter zitting van het College heeft verweerder toegelicht dat de coulanceregeling speciaal in het leven is geroepen voor situaties waarin de overdracht van een bestuur nog niet tijdig is geregeld, zoals bij appellant het geval was. Het College is van oordeel dat verweerder met deze coulanceregeling voldoende rekening houdt met bijzondere situaties waarin een aanvraag niet tijdig kan worden ingediend. Verweerder was niet gehouden bovenop deze regeling nog een extra uitzondering voor appellant te maken. De stelling van appellant dat hij niet bekend was met de Regeling Profileringsfonds komt voor zijn risico nu deze regeling tijdig en op juiste wijze bekend is gemaakt. Verder kan de omstandigheid dat de Hanze Hogeschool in een, naar appellant stelt, vergelijkbare situatie een aanvraag van een student wel heeft ingewilligd, appellant niet baten, alleen al omdat het een ander bestuursorgaan van een andere onderwijsinstelling betreft. 
Het betoog slaagt niet.