Uitspraak CBHO 2021/114

Bestreden beslissing:

De Centrale Studentenadministratie heeft namens het college van bestuur afwijzend beslist op het verzoek om inschrijving voor de bacheloropleiding Pedagogische en Onderwijswetenschappen omdat appellant  niet heeft deelgenomen aan de matchingsactiviteit.
Het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing op bezwaar heeft appellant beroep ingesteld.

Zie ook zaak 2021/114.1

Uitspraak CBHO:

Beroep ongegrond, verzoek afgewezen.

Hoofdoverwegingen:

2.5. Vast staat dat de kandidaat-student die de bacheloropleiding Pedagogische Wetenschappen wenst te volgen, verplicht is om deel te nemen aan UvA Matching en dat zonder deelname een student niet wordt ingeschreven. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet aan UvA Matching heeft deelgenomen. Het geschil is beperkt tot de vraag of verweerder, naar aanleiding van hetgeen appellant heeft aangevoerd, toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. 
De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder beleidsruimte toekomt bij het vaststellen van regels over de voorwaarden voor inschrijving. De voorzieningenrechter toetst dit beleid minder indringend. De verplichting die de UvA aan iedere kandidaat-student oplegt om deel te nemen aan de UvA Matching, ongeacht of iemand relevante praktijkervaring heeft, acht de voorzieningenrechter niet onredelijk. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet van dien aard zijn dat toepassing van het beleid in de situatie van appellant zou leiden tot een bijzonder geval van onbillijkheid van overwegende aard. De voorzieningenrechter overweegt dat het voor appellant duidelijk had moeten zijn dat deelname aan UvA Matching verplicht is. Appellant is twee maal per e-mail, gericht aan zijn persoonlijke account, op de hoogte gesteld van de verplichting om deel te nemen aan UvA Matching. Bovendien staat ook op de website van de opleiding vermeld dat deelname aan UvA Matching verplicht is. Dat appellant deze e-mails niet heeft gelezen en niet goed kennis heeft genomen van de website komt voor zijn rekening. Dat geldt evenzeer voor de omstandigheid dat appellant de afgelopen maanden veel heeft gewerkt en daarom ook niet voldoende heeft stil gestaan bij alle voorwaarden voor inschrijving. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat het beleid van verweerder kandidaat-studenten de mogelijkheid biedt om bij eventuele verhindering uitstel van een gedeelte van de UvA Matching aan te vragen. Appellant heeft niet om uitstel verzocht. De stelling van appellant dat hij gemotiveerd is om de opleiding te volgen en dat hij praktijkervaring heeft, kan hem, in het licht van de hiervoor beschreven beleidsruimte die verweerder toekomt, niet baten. 
De conclusie is dat verweerder, in hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen aanleiding had hoeven te zien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De CSA heeft het verzoek tot inschrijving en het verzoek tot het verlenen van een vrijstelling van UvA Matching daarom mogen afwijzen. 
Het betoog slaagt niet.
2.6. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet reeds hierom worden afgewezen. 
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om verweerder te gelasten het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de geschillenadviescommissie is nagegaan of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is als bedoeld in artikel 7.63a, derde lid, van de WHW. De enkele stelling dat de CSA schriftelijk heeft verklaard niet bereid te zijn een poging tot een minnelijke schikking te ondernemen, zonder dat verdere navraag is gedaan, is hiertoe onvoldoende.