Uitspraak CBHO 2021/085

Bestreden beslissing:

Op het verzoek om toelating tot de master en de premaster cursus Bachelor Thesis in Economics is afwijzend beslist.
Het CBE van de Radboud Universiteit Nijmegen heeft het administratief beroep tegen die beslissingen ongegrond verklaard en afwijzend beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Tegen de beslissing van het CBE heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO en verzocht om een voorlopige voorziening.

Zie ook: CBHO 2021/085.1/CBE

Uitspraak CBHO:

Beroep ongegrond, verzoek afgewezen.

Hoofdoverwegingen:

2.8.1. Terecht is geconcludeerd dat verzoeker ten tijde van het nemen van de beslissing op het verzoek niet voldeed aan de toelatingseis als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Pre-masterregeling, nu verzoeker zijn hbo-diploma nog niet had behaald. Het CBE heeft de examencommissie terecht gevolgd in het oordeel dat in het geval van verzoeker geen sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van de toelatingseis. Daarbij zijn de belangen van verzoeker volgens de voorzieningenrechter zorgvuldig afgewogen. Niet gebleken is dat verzoeker te maken had met een onvoldoende studeerbare opleiding. Het CBE heeft toegelicht dat een opleiding pas dan onvoldoende studeerbaar is als deze zo is ingericht dat een student daardoor niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te leggen binnen de periode die daarvoor staat. Een niet-studeerbaar programma kan ontstaan doordat vakken niet meer kunnen worden gevolgd of wanneer examens niet goed op elkaar aansluiten. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit bij verzoeker niet het geval is geweest, althans dat dit onvoldoende is onderbouwd. 
Verder is niet aannemelijk dat verzoeker als gevolg van de situatie rondom corona niet eerder kon afstuderen. Verzoeker heeft reeds in het eerste kwartaal van 2020 aangegeven bijna klaar te zijn met het afronden van zijn hbo-opleiding. Hij heeft er echter zelf voor gekozen om zijn afstuderen op te schorten. Op 29 april 2020 had verzoeker alle vijf vakken van de vooruitgeschoven pre-master gehaald, maar hij heeft pas op 18 januari 2021 zijn hbo-afstudeeropdracht ingeleverd. Ter zitting van de voorzieningenrechter is gebleken dat verzoeker hier bewust voor gekozen heeft. Verzoeker heeft zijn afstudeeropdracht uitgebreid; hij wilde niet stilzitten en het onderwerp is volgens verzoeker van belang binnen de accountancy. Dat verzoeker vervolgens niet tijdig zijn hbo-diploma heeft behaald, dient daarom voor zijn rekening en risico te komen.
Het CBE heeft verder op goede gronden geconcludeerd dat de situatie in zaaknummer 15.039 niet vergelijkbaar is met die van verzoeker, zodat die beslissing geen rol kan spelen in deze zaak. 
Verzoeker heeft inmiddels op 23 februari 2021 zijn hbo-diploma behaald, zodat hij per die datum voldoet aan de toelatingseis. De voorzieningenrechter acht het standpunt van de examencommissie dat een verlate inschrijving voor de cursus Bachelor’s Thesis niet wenselijk is, niet kennelijk onredelijk. De cursus was al op 25 januari 2021 van start gegaan. De inschrijvingsdeadline was op 10 januari 2021. Verzoeker had op zijn vroegst per 1 maart 2021 ingeschreven kunnen worden voor de cursus, maar op dat moment was de cursus al vijf weken gestart. Gelet op de omvang van en begeleiding bij de cursus, is het naar het oordeel van het College daarom niet kennelijk onredelijk dat de examencommissie heeft geweigerd om verzoeker vijf weken na de start van deze cursus alsnog te laten instromen. Het CBE heeft verder aangegeven, en de voorzieningenrechter kan dit volgen, dat het ondoenlijk is om uitsluitend voor verzoeker bijvoorbeeld het onderwijsrooster aan te passen. Gelet op het voorgaande, heeft de universiteit ook geen reden hoeven te zien voor afwijking van de flexibele knipregeling of harde knipregeling.
2.8.2. Omdat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking van de toelatingseis en er ook geen andere gronden zijn die afwijking van de eis rechtvaardigen, was de universiteit naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin gehouden om de door verzoeker aangedragen alternatieven om de thesis te halen, nader te onderzoeken. De voorzieningenrechter gaat om die reden ook voorbij aan het punt of verzoeker al dan niet een concreet verzoek voor alternatieven heeft ingediend. 
2.8.3. De voorzieningenrechter acht het standpunt van de universiteit afdoende gemotiveerd. Er is volgens de voorzieningenrechter verder geen sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Het moet voor verzoeker op voorhand voldoende duidelijk zijn geweest dat hij pas na het bepalen van zijn hbo-diploma rechtstreeks toelaatbaar was tot het resterende deel van de pre-master voor hbo-instromers. Er is evenmin sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. In september 2019 was sprake van een andere, niet vergelijkbare situatie. Appellant is – anders dan in september 2019 – niet toelaatbaar tot de cursus Bachelor’s Thesis wegens het (op het moment van de uiterste inschrijfdatum) niet voldoen aan de toelatingseis bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Pre-masterregeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is ook geen sprake van schending van het beginsel van fair play. Niet aannemelijk is dat van de zijde van De Vaal sprake is geweest van vooringenomenheid bij behandeling van het toelatingsverzoek.