Uitspraak CBHO 2021/009

Bestreden beslissing:

De Centrale studentenadministratie heeft namens het college van bestuur beslist dat appellante € 8.100 verschuldigd is voor de inschrijving in de bacheloropleiding Geschiedenis.

Het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam heeft het bezwaar van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing van het college van bestuur heeft appellante beroep bij het College ingesteld.

Uitspraak CBHO: 

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.6. Het College heeft in de uitspraken van 22 augustus 2019 en 23 oktober 2020 al geoordeeld dat het college van bestuur aan appellante het instellingscollegegeld in rekening mocht brengen. Het College heeft, kort weergegeven, het college van bestuur gevolgd in zijn standpunt dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden uit de WHW en het Inschrijvingsbesluit om voor het wettelijk collegegeldtarief in aanmerking te komen, dat zij niet valt onder de overgangsregeling uit het Inschrijvingsbesluit en dat appellantes persoonlijke omstandigheden niet noodzaken tot toepassing van de hardheidsclausule. Het college van bestuur heeft zijn beslissing over het studiejaar 2020-2021 op dezelfde gronden gebaseerd. Appellante heeft wat betreft de toepassing van de hardheidsclausule geen wezenlijk andere omstandigheden naar voren gebracht dan in de eerdere procedures. Het College ziet daarom geen reden om nu tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraken van 22 augustus 2019 en 23 oktober 2020. 
Anders dan appellante meent, is naar het oordeel van het College niet doorslaggevend geweest dat appellante tussentijds uitgeschreven is geweest. Aan het begin van het studiejaar 2018-2019 was dit nog niet het geval en is het college van bestuur op grotendeels dezelfde gronden tot dezelfde beslissing gekomen.
Appellante doelt met haar betoog dat haar categorie studenten gediscrimineerd wordt ten opzichte van niet-bekostigde studenten die tijdens of meteen na hun eerste studie aan een tweede studie beginnen kennelijk op de regeling in artikel 20 van het Inschrijvingsbesluit. Appellante valt niet onder deze regeling, omdat zij niet direct aansluitend op haar eerste studie aan de tweede studie is begonnen. Het College stelt echter vast dat appellante materieel hetzelfde is behandeld als de studenten waarvoor deze regeling geldt. De regeling in artikel 20 van het Inschrijvingsbesluit beperkt de periode waarvoor het wettelijk collegegeldtarief is verschuldigd tot de nominale studieduur plus één jaar. In de studiejaren 2016-2017 en 2017-2018 is voor appellante een uitzondering gemaakt. Hierdoor heeft appellante gedurende de nominale studieduur voor een deeltijdopleiding plus één jaar feitelijk het wettelijk collegegeldtarief betaald.

2.6.1. Het College heeft in de uitspraken van 22 augustus 2019 en 23 oktober 2020 geoordeeld over de manier waarop de hoogte van het instellingscollegegeld is vastgesteld. Uit de toelichting die het college van bestuur heeft gegeven blijkt dat het tarief voor het studiejaar 2020-2021 volgens dezelfde methodiek is vastgesteld als in de studiejaren waarop de genoemde uitspraken betrekking hebben. Het College verwijst daarom naar deze uitspraken. Voor zover appellante heeft gewezen op de hoogte van de tegemoetkoming in het kader van de Wet Tegemoetkoming Studiekosten 18+, is niet gebleken dat die tegemoetkoming is bedoeld als volledige compensatie voor de kosten van een deeltijdstudie. Reeds daarom kan daaruit niet worden afgeleid dat de hoogte van het instellingscollegegeld op een onredelijke manier is vastgesteld. Hetgeen appellante in deze procedure overigens heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel dan in de uitspraken van 22 augustus 2019 en 23 oktober 2020.
2.6.2. Het college van bestuur heeft erop gewezen dat het experiment flexstuderen een pilot van het ministerie van OCW is waaraan slechts een beperkt aantal universiteiten en opleidingen deelneemt. Uit artikel 17b, tweede lid, van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs volgt dat aan dit experiment uitsluitend studenten kunnen deelnemen die het wettelijk collegegeld verschuldigd zijn als bedoeld in artikel 7.45a van de WHW. Zoals hiervoor is overwogen, is dat voor appellante niet het geval. Het College ziet in wat appellante heeft aangevoerd geen reden om het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs op dit punt buiten toepassing te laten. Gelet hierop hoeft geen oordeel te worden gegeven over de vraag of de universiteit de bacheloropleiding Geschiedenis in de Regeling Experiment Flexstuderen UvA 2020-2021 had moeten opnemen op de lijst van opleidingen waarvoor deelname aan het experiment flexstuderen mogelijk is. 
2.6.3. De halvering van het wettelijk collegegeld in verband met COVID-19 is een maatregel van de rijksoverheid die geldt voor het studiejaar 2021-2022. Deze maatregel gold niet in het studiejaar 2020-2021 en is alleen al daarom niet van betekenis voor de beoordeling van het beroep van appellante. 
2.6.4. De voorzitter van de GAC is niet verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, maar is secretaris van het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit. De twee andere leden van de GAC zijn Hoofd Onderwijs van de Faculteit der Geesteswetenschappen respectievelijk medewerker van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde. Geen van deze personen is rechtstreeks ondergeschikt aan het instellingsbestuur. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat niet is voldaan aan de in artikel 7.63a van de WHW neergelegde eis dat de leden van de GAC functioneel onafhankelijk moeten zijn.
2.6.5. Het beroep van appellante op artikel 13, tweede lid, onder c, van het Internationaal Verdrag voor de Economische, Sociale en Culturele Rechten en artikel 10 van het Europees Sociaal Handvest slaagt niet. Het College verwijst op dit punt naar de uitspraak van 22 augustus 2019, onder 2.7. Zoals daar is overwogen rust op het college van bestuur niet een positieve verplichting om zorg te dragen voor hoger onderwijs op de door appellante gewenste wijze. 
Het College begrijpt het betoog over recht op hoger beroep als beroep op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit die bepaling volgt echter niet dat beroep in twee instanties moet openstaan.
2.6.6. Voor zover appellante een oordeel wil over de vraag of zij bij een inschrijving als extraneus recht heeft op tussentijdse beoordeling van de bachelorscriptie, overweegt het College dat hierover in deze procedure geen oordeel kan worden gegeven.
2.6.7. De beroepsgronden slagen niet.