Uitspraak CBHO 2021/108.3

Wrakingsverzoek:

Het wrakingsverzoek is gericht tegen het lid die het beroep op de zitting van 4 november 2021 heeft behandeld.

Uitspraak CBHO:

Wrakingsverzoek afgewezen.

Hoofdoverwegingen:

2.5. Zoals volgt uit 2.3 staat in deze procedure uitsluitend ter beoordeling of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden als bedoeld in artikel 8:15 van de Awb. Voor zover verzoeker inhoudelijke standpunten naar voren heeft gebracht over de zaak die door de rechter moest worden behandeld, zoals over de relatie tussen de RU en de Radboud In’to Languages en het standpunt van de tegenpartij op dit punt, staan deze standpunten hier niet ter beoordeling en laat het College deze buiten beschouwing. 
2.5.1. Voor zover verzoeker stelt dat het proces-verbaal volgens hem geen juiste weergave bevat van het verhandelde op de zitting van 4 november 2021, overweegt het College dat in beginsel van de juistheid van wat door de griffier is vastgelegd in het proces-verbaal van het verhandelde op de zitting moet worden uitgegaan. Alleen als er duidelijke aanwijzingen zijn dat het proces-verbaal geen juiste weergave is van het op de zitting verhandelde, kan van dat beginsel worden afgeweken. Van dergelijke aanwijzingen is in dit geval niet gebleken. Het proces-verbaal van de zitting is geen woordelijk verslag van het verhandelde op de zitting, maar een zakelijke weergave daarvan. De omstandigheid dat in het proces- verbaal niet alle uitlatingen van de rechter en partijen volledig zijn opgenomen dan wel dat deze soms in andere dan de letterlijke bewoordingen zijn weergegeven, betekent niet dat het proces- verbaal een onjuiste weergave is van het verhandelde op de zitting. 
2.5.2. Wat verzoeker ter ondersteuning van zijn wrakingsverzoek aanvoert, biedt geen grond voor het oordeel dat de rechter door de wijze waarop zij het onderzoek ter zitting heeft verricht en partijen heeft bejegend, partijdig of vooringenomen is geweest dan wel dat een bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft het verloop van de zitting, in het bijzonder de wijze van vraagstelling, het niet doorvragen en de onderbrekingen door de rechter, als uiting van vooringenomenheid ervaren. Die eigen ervaring betekent niet dat de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid en partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat verzoeker en de tegenpartij beiden de gelegenheid hebben gekregen hun standpunten nader toe te lichten, te reageren op elkaar standpunten, vragen te beantwoorden en slotopmerkingen te maken. Daaruit kan niet worden opgemaakt dat verzoeker niet in gelijke mate als de andere partij in de gelegenheid is gesteld om aan de behandeling van de zaak op de zitting deel te nemen. Dat de rechter in de visie van verzoeker onvoldoende heeft doorgevraagd over de relatie tussen de RU en de Radboud In’to Languages, kan erop duiden dat de rechter zich na bestudering van de dossierstukken reeds voldoende geïnformeerd achtte op dit punt en geen noodzaak zag om hier op de zitting gerichter op in te gaan, maar geeft geen grond voor het oordeel dat sprake is van (schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid.