Uitspraak CBHO 2021/136

Bestreden beslissing:

De examencommissie CE-IB heeft namens het instellingsbestuur  aan appellant een bindend negatief studieadvies verstrekt.
Het CBE van De Haagse Hogeschool  heeft het administratief beroep van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.
Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.5. In hetgeen appellant aanvoert, ziet het College geen grond voor het oordeel dat de beslissing van verweerder niet in stand kan blijven. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat onvoldoende vertrouwen bestaat dat appellant binnen redelijke termijn de bacheloropleiding Chemische Technologie zal afronden en op dit moment aldus niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding. Het College overweegt hiertoe dat verweerder terecht heeft overwogen dat de opleiding appellant voldoende mogelijkheden heeft geboden om te laten zien dat hij de opleiding aan kan, maar dat de studieresultaten zijn achtergebleven. Appellant betwist niet dat hij voor meerdere vakken een aantal keren aan het tentamen heeft deelgenomen en dat deze telkens niet zijn gehaald. De problemen waarop appellant heeft gewezen kunnen niet worden geverifieerd omdat appellant zich niet bij de studentendecaan en/of zijn studieloopbaanbegeleider heeft gemeld. 
2.5.1. Het College stelt vast dat appellant tijdens de hoorzitting bij verweerder heeft toegegeven dat hij zijn omstandigheden niet heeft gemeld, omdat hij niet gemakkelijk praat over persoonlijke zaken. In reactie daarop heeft de examencommissie aangegeven dat zij een uitspraak op het beroep wenst, maar ook dat er een mogelijkheid bestaat dat het besluit wordt heroverwogen als appellant met nadere informatie komt. Uit het vervolg van het procedure is niet gebleken dat appellant er zichtbaar werk van heeft gemaakt om de benodigde informatie bij de examencommissie aan te leveren. Uit de door verweerder overgelegde e-mail van 20 september 2021 is af te leiden dat de verlangde informatie ook tot op dat moment niet door appellant is verstrekt.
2.5.2. Ter zitting heeft appellant uitgelegd dat hij vooral problemen heeft met time management en dat hij last heeft van uitstelgedrag en dat dit de persoonlijke omstandigheden zijn als gevolg waarvan hij studievertraging heeft opgelopen. Namens verweerder en de examencommissie is ter zitting verklaard dat de onderwijsinstelling hem juist bij deze problemen behulpzaam zou hebben kunnen zijn zodat zijn resultaten mogelijk niet zouden zijn achtergebleven, maar in dit stadium van de procedure is dat helaas niet meer mogelijk.