Uitspraak CBHO 2021/148

Bestreden beslissing:

De examencommissie heeft namens het instellingsbestuur aan appellante een bindend negatief studieadvies verstrekt.
Het CBE van de Hogeschool van Amsterdam heeft het administratief beroep van appellante tegen die beslissing wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.3. Het College stelt vast dat appellante niet bestrijdt dat zij niet tijdig administratief beroep heeft ingesteld. Het is het College niet gebleken dat zij dat wel tijdig zou hebben gedaan. Hierbij merkt het College op dat het besluit van 19 juli 2021 van de examencommissie een juiste rechtsmiddelenvoorlichting bevatte. Verder volgt het College het CBE in zijn standpunt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Naar het oordeel van het College is geen rechtvaardiging gelegen in de door appellante gestelde persoonlijke omstandigheden. 
Het College merkt hierbij op dat appellante haar gezondheidstoestand ten tijde van (het einde van) de termijn voor het instellen van administratief beroep niet met medische stukken heeft onderbouwd. Zelfs als het College aanneemt dat appellante toen fysiek en mentaal in een moeilijke situatie verkeerde, is naar het oordeel van het College door het CBE terecht gesteld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daardoor niet in staat was om ofwel zelf tijdig administratief beroep in te stellen, ofwel een derde in te schakelen om dat voor haar te doen. Hierbij merkt het College op dat appellante blijkens de dossierstukken in staat was om op 30 augustus 2021 Whatsapp berichten te verzenden (en dat zij daags na het einde van de termijn voor het indienen van administratief beroep - op 31 augustus 2021 - een vliegreis heeft gemaakt). Dit duidt erop dat appellante, hoewel zij zich wellicht niet in een optimale toestand bevond, toch in staat was bepaalde dingen te regelen en te doen. Het College ziet ook daarom onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het indienen van een rechtsmiddel voor appellante in feitelijk opzicht onmogelijk was. Het College tekent hierbij ook aan dat appellante geen stukken van medische aard heeft ingebracht waaruit is af te leiden dat zij geen administratief beroep kon instellen. Een zogenoemd pro-forma administratief beroepschrift (dus: op nader aan te voeren gronden) was overigens al genoeg geweest om zeker te stellen dat de termijn niet zou worden overschreden. De omstandigheid - die de gemachtigde van appellante tijdens de zitting naar voren heeft gebracht - dat appellante aan het einde van de termijn voor het indienen van administratief beroep met haar ziekte bezig was en niet met het aanwenden van rechtsmiddelen, komt voor haar risico. Het had op de weg van appellante gelegen om de termijn in acht te nemen. Daarbij herhaalt het College dat appellante ook een derde had kunnen inschakelen om voor haar haar (pro forma) administratief beroep in te stellen. 
Het College is onder deze omstandigheden van oordeel dat het CBE het administratief beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het College niet kan toekomen aan hetgeen appellante inhoudelijk naar voren heeft gebracht over het bindend negatief studieadvies.
Het betoog slaagt niet.