Uitspraak CBHO 2022/003.1 t/m 2022/009.1

Casusomschrijving: 

Wegens overtreding van de gedragscode heeft de decaan ordemaatregelen getroffen en bekendmaking aangekondigd.
Tegen die beslissingen heeft appellant bezwaar gemaakt bij het college van bestuur van de Universiteit Utrecht.

Verzoek voorlopige voorziening: 

Verzoeker vraagt om in afwachting van de beslissing op het bezwaar door het college van bestuur van de Universiteit Utrecht alle maatregelen op te schorten en hem volledige toegang tot de gebouwen en tot het onderwijs en tentamens van de opleiding te verlenen.

Uitspraak CBHO:

Verzoek toegewezen.

Hoofdoverwegingen:

2.6.1. De gebeurtenissen waarop de klachten betrekking hebben, hebben zich niet alleen voorgedaan op terreinen en in gebouwen van de Universiteit. In zoverre bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grondslag voor de beslissingen van 13 december 2021. Ook overigens heeft verweerder niet kunnen aangeven waarop zijn bevoegdheid tot het nemen van de bestreden beslissingen berust. Ook de nader ingediende stukken geven daarover onvoldoende duidelijkheid.
2.6.2. Aan de beslissingen van 13 december 2021 liggen adviezen van de klachtencommissie ten grondslag. Die adviezen bevatten een overzicht van de ingediende klachten. Verder zijn de gebeurtenissen die aan de orde zijn gesteld in de klacht vanuit het verenigingsgebouw Common House Eliott – zoals ter zitting is toegelicht voor de context van het advies – eveneens opgenomen. De klachtencommissie heeft de inhoud van die laatste klacht bij haar beoordeling betrokken, hoewel die klacht niet-ontvankelijk is verklaard omdat deze niet afkomstig is van een student. De klachten zijn daardoor gekleurd en het advies is daardoor gebaseerd op meer dan door de indieners van de ontvankelijke klachten naar voren is gebracht.
2.6.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de beslissingen die de decaan op basis van de adviezen heeft genomen en hetgeen ter zitting is toegelicht, niet dat hij op juiste wijze heeft beoordeeld of het advies en de totstandkoming daarvan voldoen aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. In dit verband is niet zonder betekenis dat de procedure lijkt te zijn gestart als een informele klachtenbehandeling, die niettemin heeft uitgemond in een formeel vervolg. Daarbij valt op dat verzoeker zich niet voortdurend heeft mogen laten bijstaan door zijn advocaat, hetgeen in strijd is met artikel 14 van de regeling “Complaints procedure for students regarding inappropriate behavior at University College Roosevelt”. Uit de beslissing blijkt verder niet dat met alle relevante omstandigheden rekening is gehouden en dat aan de belangen van verzoeker, gelet op zijn persoonlijke reacties op elk van de klachten, voldoende aandacht is besteed. Dat laatste klemt te meer nu verweerder bekend is of moet worden geacht met de stoornis van verzoeker, die tot onbeholpen gedrag kan leiden. Bovendien is in het geheel niet onderbouwd waarom de opgelegde (zware) maatregel evenredig is aan de gedragingen die verzoeker worden verweten en waarom de door (een deel van) de klagers en verzoeker gewenste en mogelijke mediation niet nader is onderzocht als methode om de problemen op te lossen.
2.7. Het is evident dat verweerder er belang bij heeft dat rust en orde worden gehandhaafd op de terreinen en in de gebouwen van zijn onderwijsinstelling. Maar daar tegenover staat het belang van verzoeker om volwaardig onderwijs te mogen volgen, inclusief alle aan zijn opleiding gerelateerde (sociale) activiteiten.
2.8. Nu aan de beslissing van 13 december 2021 veel gebreken kleven, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter, zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen, een aanzienlijke kans dat die beslissing niet (ongewijzigd) in stand kan blijven. Gelet op het bepaalde in de artikelen 7:10 en 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 7.66, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, het einde van de bezwaartermijn en de datum die voor de hoorzitting is gepland, valt afhandeling van het bezwaar niet op korte termijn te verwachten en in ieder geval niet voor het begin van het nieuwe semester van het studiejaar. Gelet daarop en gelet op de onder 2.7 beschreven belangen van verzoeker en verweerder, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen, zoals hieronder weergegeven.