Uitspraak CBHO 2020/135

Bestreden beslissing: 

De BSA-commissie heeft namens de decaan van de Faculteit Werktuigbouwkunde, Maritieme Techniek en Technische Materiaalwetenschappen  aan appellant een bindend negatief studieadvies verstrekt.
Het CBE van de Technische Universiteit Delft heeft het administratief beroep van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.
Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: 

Gegrond.

Hoofdoverwegingen

2.7. Naar het oordeel van het College is het uitgangspunt dat een student die geen enkel studiepunt in zijn propedeutische fase haalt, ongeschikt moet worden geacht voor de opleiding met een negatief bindend studieadvies tot gevolg, op zichzelf gerechtvaardigd.
2.8. In dit concrete geval heeft appellant echter, gelet op het verhandelde ter zitting, aannemelijk gemaakt dat hij in het studiejaar 2020 2021 geen onderwijs voor de opleiding Werktuigbouwkunde heeft gevolgd of tentamens van de opleiding heeft gedaan en dat zijn voortdurende inschrijving voor die opleiding in dat studiejaar op een misverstand berustte. Vast staat dat appellant zich in het studiejaar 2020 2021 voor de opleiding Lucht- en Ruimtevaarttechniek, waarvoor selectie in verband met numerus fixus gold, heeft aangemeld. Daarnaast heeft hij zich ingeschreven voor de opleiding Werktuigbouwkunde voor het geval hij opnieuw niet zou worden geselecteerd voor de opleiding Lucht- en Ruimtevaarttechniek. Toen hij werd geselecteerd bij de opleiding Lucht- en Ruimtevaarttechniek, is hij met die opleiding gestart. Appellant heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij feitelijk niet meer met de opleiding Werktuigbouwkunde is gestart. Die inschrijving was immers bedoeld als alternatief, zodat hij in ieder geval een vergelijkbare studie kon volgen als hij zou worden uitgeloot bij de opleiding Lucht- en Ruimtevaarttechniek. De stelling van verweerder dat niet valt uit te sluiten dat appellant toch onderwijs heeft gevolgd bij de opleiding Werktuigbouwkunde, heeft verweerder niet kunnen concretiseren en geeft onvoldoende aanleiding tot twijfel aan de lezing van appellant. Dat hij zich niet heeft uitgeschreven en meerdere berichten over het aanstaande bindende negatieve studieadvies voor de studie Werktuigbouwkunde heeft genegeerd, valt hem, zoals hij zelf ook heeft erkend, te verwijten, maar is geen bewijs dat appellant wel onderwijs heeft gevolgd. Het College betrekt daarbij dat appellant, zoals uit zijn studieresultaten blijkt, wel onderdelen van de opleiding Lucht- en Ruimtevaarttechniek heeft gevolgd. Onder deze uitzonderlijke omstandigheden, waarbij appellant geen onderwijs heeft gevolgd en tentamens heeft gemaakt en waarbij de voortdurende inschrijving op een misverstand berustte, kan niet staande worden gehouden dat appellant door het enkele feit dat hij 0 punten voor deze opleiding heeft gehaald niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding Werktuigbouwkunde wegens ontoereikende studieresultaten. Het standpunt van verweerder ter zitting van het College dat tijdens het minnelijke schikkingsgesprek tussen de BSA commissie en appellant is gebleken dat appellant ongeschikt is voor de opleiding Werktuigbouwkunde omdat hij geen reëel beeld heeft van de studie, is niet aan de beslissing ten grondslag gelegd en kan daarom niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat de decaan aan appellant een negatief bindend studieadvies mocht geven.