Uitspraak CBHO 2022/021.1

Verzoek voorlopige voorziening:

Op het verzoek om tussentijdse inschrijving tegen wettelijk collegegeldtarief is afwijzend beslist.
Het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van het college van bestuur heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld en tevens verzocht om een voorlopige voorziening.

Uitspraak CBHO: 

Verzoek afgewezen.

Zie ook Uitspraak CBHO 2022/021

Hoofdoverwegingen:

2.3. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de door verzoekster verzochte voorlopige voorziening te treffen.
Het College heeft eerder uitspraken gedaan in procedures van verzoekster over het haar in rekening gebrachte collegegeld voor inschrijving voor de bacheloropleiding Geschiedenis. De uitspraak van 22 augustus 2019 in zaak nr. 2019/048 gaat over inschrijving voor het studiejaar 2018-2019, de uitspraak van 23 oktober 2020 in zaak nr. 2019/112 over inschrijving voor het studiejaar 2019 2020 en de uitspraak van 18 oktober 2021 in zaak nr. 2021/009 over inschrijving voor het studiejaar 2020-2021. De conclusie van deze uitspraken is steeds dat verweerder terecht het instellingscollegegeld in rekening heeft gebracht. Wat verzoekster in de hier voorliggende procedure naar voren brengt, is vergelijkbaar met door haar naar voren gebrachte argumenten in de eerdere procedures. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er geen grond voor de conclusie dat de beoordeling door het College van die argumenten in de eerdere procedures bij nader inzien onjuist was. Verzoekster heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen omstandigheden naar voren gebracht die verweerder nopen tot het oordeel dat zich een bijzonder geval van overwegende aard voordoet. Verder biedt hetgeen verzoekster aanvoert geen grond voor het voorlopige oordeel dat verweerder er bij de motivering van de hoogte van het instellingscollegegeld niet vanuit mag gaan dat voor studenten als verzoekster geen bekostiging wordt gegeven. Ten slotte leidt de terugwerkende kracht van de desbetreffende regelgeving naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat verzoekster het instellingscollegegeld niet in rekening mag worden gebracht, omdat in verband daarmee een overgangsregeling in het leven is geroepen, waarvan verzoekster ook gebruik heeft gemaakt.