Uitspraak CBHO 2021/161

Bestreden beslissing: 

Het CvB heeft een ordemaatregel ingetrokken alvorens te beslissen op het daartegen gemaakte bezwaar.
Tegen de weigering het bezwaar te behandelen heeft appellant beroep ingesteld en gevraagd een dwangsom op te leggen.

Uitspraak CBHO:

Gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4. Het College stelt vast dat appellant bezwaar heeft gemaakt tegen de beslissing van 31 mei 2021. Verweerder heeft thans nog steeds niet beslist op dit bezwaar, ondanks dat de voorzieningenrechter van het College bij uitspraak van 10 augustus 2021, zaak nrs. 2021/067 en 2021/067.1, verweerder erop heeft gewezen dat hij op het bezwaar moet beslissen. Appellant heeft terecht aangevoerd dat de beslissing van 23 augustus 2021 niet kan worden aangemerkt als een beslissing op bezwaar. Appellant voert ook terecht aan dat de beslissing van 23 augustus 2021 is aan te merken als een beslissing als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Bij deze beslissing is immers de beslissing van 31 mei 2021 ingetrokken. Het voorgaande betekent dat het bezwaar tegen de beslissing van 31 mei 2021 van rechtswege mede betrekking heeft op de beslissing van 23 augustus 2021. De stelling van verweerder dat appellant niet uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt tegen laatstgenoemde beslissing, nog daargelaten de onjuistheid van deze stelling, is niet relevant. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb volgt immers dat het bezwaar van rechtswege betrekking heeft op die beslissing. Het College volgt verweerder niet in zijn standpunt dat appellant geen belang hierbij heeft. Het College overweegt hiertoe dat in de beslissing van 23 augustus 2021 een formele waarschuwing aan appellant is gegeven. Ook is nog niet beslist op het verzoek van appellant om de gemaakte proceskosten te vergoeden. De conclusie is dat verweerder nog moet beslissen op het bezwaar tegen de beslissingen van 31 mei 2021 en 23 augustus 2021. 
Het College stelt verder vast dat appellant na afloop van de beslistermijn verweerder op 12 november 2021 schriftelijk in gebreke heeft gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Nu verweerder nog steeds niet heeft beslist, was appellant gerechtigd om op grond van artikel 6:12 van de Awb beroep in te stellen wegens het niet tijdig nemen van die beslissing. Het College overweegt verder dat verweerder de volledige dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd. Het door appellant ingestelde beroep wegens het niet tijdig beslissen moet gegrond worden verklaard. 
Het betoog slaagt. 
2.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat verweerder alsnog een beslissing moet nemen op het bezwaar van appellant tegen de beslissingen van 31 mei 2021 en 23 augustus 2021. Het College zal verweerder met toepassing van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb opdragen om binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een beslissing op het bezwaar te nemen en bekend te maken. Het College ziet in de door verweerder aangevoerde omstandigheid dat er binnen de instelling nog geen geschillenadvies-commissie is geen aanleiding om van deze termijn af te wijken. Hiertoe overweegt het College dat iedere instelling een geschillenadviescommissie behoort te hebben en dat verweerder bij voornoemde uitspraak van 10 augustus 2021 door de voorzieningenrechter erop is gewezen dat het bezwaar van appellant in behandeling moet worden genomen. Het College zal verder bepalen dat verweerder een dwangsom van € 1.442,- moet betalen. Het College zal verder op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbinden voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven. In de regel wordt, bij toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb een dwangsom bepaald van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Het College ziet nu nog geen aanleiding om in dit geval daarvan af te wijken.