Uitspraak CBHO 2021/157

Bestreden beslissing:

De examinator heeft de verdediging van de scriptie, en daarmee het afstuderen, met een onvoldoende beoordeeld.
Het college van beroep voor de examens van Fontys Hogescholen heeft het administratief beroep tegen die beslissing(en) ongegrond verklaard.
Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.
 

Hoofdoverwegingen:

2.4. In wat appellant aanvoert, ziet het College geen grond voor het oordeel dat de beslissing van verweerder niet in stand kan blijven. Het College is van oordeel dat niet is gebleken dat bij de beoordeling niet is voldaan aan de voorschriften van procedurele aard. De door appellant opgestelde scriptie is bij zijn tweede kans beoordeeld met een 5,5, waarna appellant de scriptie mocht verdedigen. Deze verdediging heeft ertoe geleid dat hij 1,0 punt aftrek heeft gekregen, waardoor zijn Afstudeeropdracht met een 4,5 is beoordeeld. Het College stelt vast dat op grond van de Afstudeerwijzer en het Beoordelingsformulier het resultaat van de scriptie op basis van de verdediging met 1,0 punt kan worden verhoogd of verlaagd. Het College stelt ook vast dat de Afstudeeropdracht overeenkomstig het beoordelingsformulier door twee examinatoren is beoordeeld. Naar aanleiding van het door appellant ingestelde administratief beroep heeft de examencommissie een derde examinator de verdediging van appellant, die is vastgelegd op video, laten bekijken. Verweerder heeft toegelicht dat dat dit volgens de examencommissie is gebeurd zodat zeker kon worden gesteld dat zich tijdens de verdediging geen onregelmatigheden hebben plaatsgevonden. Niet valt in te zien dat de examencommissie dit uit een oogpunt van zorgvuldigheid niet mocht doen. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder niet is ingegaan op de procedurele bezwaren die hij heeft aangevoerd. Verweerder is in zijn beslissing van 10 november 2021 hierop ingegaan. Verder ziet het College in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor diens stelling dat de examinatoren vooringenomen waren. Over de stelling van appellant dat verweerder pas na 7 maanden hem het voorstel heeft gedaan om de verdediging van zijn afstudeeropdracht te herkansen, overweegt het College dat verweerder dit voorstel geheel onverplicht heeft gedaan. In het kader van het administratief beroep was appellant op grond van artikel 7.61, derde lid, van de WHW al uitgenodigd voor een gesprek met de examencommissie om te zien of minnelijke schikking mogelijk was. Dat gesprek heeft plaatsgevonden, maar heeft er niet toe geleid dat partijen tot een minnelijke schikking zijn gekomen. Het had volgens het College wel op de weg van het CBE gelegen om nog in te gaan op de klacht dat appellant zich niet mocht laten bijstaan bij dat gesprek. Nu er nadien alsnog een schikking is aangeboden is het College evenwel van oordeel dat appellant door deze gang van zaken niet onevenredig is benadeeld. 
Het betoog slaagt niet.