Uitspraak CBHO 2021/146

Bestreden beslissing:

De examinator van de Rotterdam School of Management heeft de scriptie van appellant met een 8 beoordeeld, waardoor hem niet het iudicium cum laude wordt toegekend. 
Het college van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft het hiertegen ingestelde administratieve beroep ongegrond verklaard.
Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

Inzake weigering iudicium
[…]
2.5. Het College ziet geen aanwijzingen die erop duiden dat de examencommissie dan wel het CBE met vooringenomenheid heeft gehandeld. Appellant heeft zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Om die reden ziet het College ook geen reden om te concluderen dat in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor dan wel de goede procesorde is gehandeld. Het CBE heeft over het zittingsverslag toegelicht dat geen separaat verslag is opgemaakt maar dat ervoor is gekozen om het verhandelde ter zitting op te nemen in de beslissing van 24 augustus 2021. De wet verzet zich hier niet tegen. 

Inzake beoordeling masterscriptie
2.5.1. Het is het College niet gebleken dat de beoordeling van de masterscriptie strijdig is met enig voorschrift van procedurele aard als bedoeld in 2.1. Daartoe heeft het College het volgende in aanmerking genomen. Het is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van het College niet aannemelijk dat het CBE zodanige aanwijzingen of instructies aan de examinatoren heeft gegeven dat er geen objectieve beoordeling van de masterscriptie heeft kunnen plaatsvinden. De e-mail van de beoordelaar aan appellant van 24 juni 2021 bevat daartoe geen aanknopingspunten. Verder heeft het CBE ter zitting van het College meermaals nadrukkelijk verklaard dat aan de examinatoren geen aanwijzingen of instructies inzake de beoordeling zijn gegeven. In wat appellant heeft aangevoerd, wordt onvoldoende aanleiding gezien om hieraan te twijfelen. Hieruit volgt dat appellant ook geen stukken zijn onthouden waaruit zou blijken van dergelijke aanwijzingen of instructies. Gelet hierop is er ook geen strijd met het beginsel van fair-play. Verder heeft de beoordeling plaatsgevonden conform artikel 5.1 van de Regels en Richtlijnen. Het scriptietraject is conform de course manual met een beoordelingsmatrix beoordeeld aan de hand van acht dimensies. Deze beoordelingsmatrix wordt toegepast bij alle scriptietrajecten van de initiële masteropleidingen van de Rotterdam School of Management. De beoordelingsmatrix is een hulpmiddel bij het vaststellen van het eindcijfer voor de scriptie. Masterscripties worden beoordeeld op een schaal van 0,0 tot en met 10,0, nauwkeurig tot op 0,5 punt. Beide examinatoren hebben te kennen gegeven de masterscriptie van appellant goed te vinden. Zij hebben overleg gevoerd of het cijfer 8,0 of 8,5 moest worden toegekend. Uiteindelijk is het cijfer 8,0 toegekend; met name de analyse van de data heeft het cijfer nadelig beïnvloed. 

Inzake weigering iudicium
2.5.2. Het staat het instellingsbestuur volgens het College vrij om eigen beleid te voeren inzake toekenning van het iudicium. Het CBE heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat andere faculteiten (van andere universiteiten) andere regels voor toekenning van het iudicium hanteren, niet maakt dat in strijd met de wet dan wel onredelijk is gehandeld. De toepasselijke regels van de universiteit voor toekenning van het iudicium zijn opgenomen in artikel 5.4, tweede lid, van de Regels en Richtlijnen. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 5.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regels en Richtlijnen nu het op basis van de studiepunten gewogen gemiddelde van de afgeronde cijfers voor de examenonderdelen (inclusief het scriptietraject) in het geval van appellant geen 8,25 of hoger is. Derhalve is terecht geoordeeld dat appellant op grond van de regels niet in aanmerking komt voor het iudicium.
Het College is van oordeel dat op goede gronden geen aanleiding is gezien om in dit geval af te wijken van de regels. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is de beoordeling van de masterscriptie niet in strijd met enig voorschrift van procedurele aard als bedoeld in 2.1 tot stand gekomen. Voor zover appellant heeft gesteld dat hij vanwege persoonlijke omstandigheden niet aan bedoelde grens van 8,25 en hoger heeft kunnen voldoen, overweegt het College als volgt. Appellant heeft gesteld dat hij zijn methodiek tijdens het scriptietraject heeft moeten aanpassen wegens de omstandigheden rond corona en dat uit de beoordeling blijkt dat de dataverzameling zijn cijfer nadelig heeft beïnvloed. Uit de stukken blijkt dat uit navraag bij de examinatoren is gebleken dat dit geen grote rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het cijfer. De impact van de situatie rond corona is beperkt geweest tot hooguit het online afnemen van interviews en mogelijk het ontstaan van meer drukte bij sommige bedrijven. Verder heeft niet zozeer de dataverzameling het scriptiecijfer nadelig beïnvloed, maar juist de analyse van de data. Ook heeft appellant gewezen op de onzekerheid die bestond rondom zijn uitwisseling in het najaar en het moeten volgen van een extra vak in de korte periode van maart 2021 tot en met juni 2021. Het College maakt uit de stukken op dat appellant wegens de onzekerheid over het al dan niet doorgaan van de uitwisseling mogelijk het vak vrije elective in het laatste onderwijsblok heeft moeten volgen. Dat is echter een vak dat in het reguliere examenprogramma thuishoort en dus regulier is ingeroosterd naast het scriptietraject. Alle studenten die niet op uitwisseling gaan, moeten dit vak volgen. Het betreft dus geen extra onderwijsbelasting, maar een reguliere onderwijsbelasting. Het College ziet dan ook niet in dat appellant hierdoor nadeel heeft ondervonden. Overigens maakt het College uit de stukken op dat appellant alsnog in het najaar op uitwisseling is gegaan en daarmee de uitwisseling in het examenprogramma kon inbrengen in plaats van het vak vrije elective. De uitwisseling is beoordeeld met “voldaan” en heeft het gemiddelde dus niet nadelig beïnvloed. De enkele omstandigheid dat met het cijfer 8,5 voor zijn masterscriptie wel aan de voorwaarde als bedoeld artikel 5.4, tweede lid, onder a, van de Regels en Richtlijnen zou zijn voldaan, rechtvaardigt volgens het College ook geen afwijking van de regels. 
In wat appellant heeft aangevoerd, ziet het College verder geen aanknopingspunten om te concluderen dat het CBE heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur. Appellant heeft zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd.