Uitspraak CBHO 2022/021

Bestreden beslissing:

Het hoofd Centrale Studentenadministratie heeft namens het college van bestuur afwijzend beslist op het verzoek om tussentijdse inschrijving tegen wettelijk collegegeldtarief.

Het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam heeft het bezwaar van appellante tegen die afwijzing ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing van het college van bestuur heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Zie ook Uitspraak CBHO 2022/021.1

Hoofdoverwegingen:

Het verzoek om tussentijdse inschrijving per 1 mei 2021
2.4.2. Het College stelt vast dat ten tijde van het besluit op bezwaar – 17 december 2021 – de gewenste datum van tussentijdse inschrijving per 1 mei 2021 reeds was verstreken. Met het college van bestuur is het College van oordeel dat er daardoor geen actueel en reëel belang meer was bij een inhoudelijke beslissing op het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om tussentijdse inschrijving per 1 mei 2021. Het resultaat, namelijk een inschrijving per 1 mei 2021, kon immers op dat moment niet meer daadwerkelijk worden bereikt. Over de stelling van appellante dat zij op een later moment dan 1 mei 2021 had kunnen worden ingeschreven, merkt het College op dat, zoals ter zitting naar voren is gekomen, appellante ná 1 mei 2021 afzonderlijke verzoeken om tussentijdse inschrijving heeft gedaan. Zoals hiervoor is vermeld, vallen die (latere) verzoeken om tussentijdse inschrijving buiten de omvang van dit geding. Ook overigens is niet gebleken dat appellante nog procesbelang heeft.
Gelet op het vorenstaande ziet het College geen grond voor vernietiging van het besluit van 17 december 2021, voor zover daarbij het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om tussentijdse inschrijving per 1 mei 2021, niet-ontvankelijk is verklaard. 
Het betoog faalt.
[..]
De beslissing over het verschuldigde collegegeld voor het studiejaar 2021-2022
2.5.3. Het College stelt vast dat appellante geen aanspraak op basis van de WHW heeft op het betalen van wettelijk collegegeld. Dit betekent dat zij op basis van artikel 7.46, eerste lid, van de WHW het instellingscollegegeld verschuldigd is voor haar bacheloropleiding Geschiedenis. Appellante heeft deze opleiding mogen starten tegen het wettelijk collegegeldtarief omdat zij destijds onder een overgangsregeling van de universiteit viel. Niet in geschil is dat appellante bij de inschrijving voor het voorliggende studiejaar 2021-2022 niet onder enige overgangsregeling van de universiteit viel. Uit (de bijlagen van) het Inschrijvingsbesluit volgt dat het instellingscollegegeldtarief in dit geval € 7.216,- bedraagt. 
Het inschrijvingsbesluit bevat algemeen verbindende voorschriften die geen wet in formele zin zijn. Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 oktober 2020 (CBHO 2019/11)) kunnen algemene verbindende voorschriften die geen wet in formele zin zijn, worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. De rechter moet ook beoordelen of dat algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het bestreden besluit. Bij deze toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer. 
Het College stelt vast dat het college van bestuur bij de vaststelling van het instellingscollegegeld heeft betrokken dat de universiteit geen bekostiging ontvangt. Verder heeft het college van bestuur verder toegelicht dat onder meer als uitgangspunt geldt dat de instellingscollegegeldtarieven in principe minimaal kostendekkend moeten zijn. Omdat de kosten niet per eenheid van een opleiding worden vastgelegd is gezocht naar het beste alternatief dat in aanmerking komt voor de berekening van het instellingscollegegeld. De alternatieve kosten (opportunity cost) zijn de economische kosten, die de (niet gerealiseerde) opbrengst van het best mogelijke alternatief waardeert. De tarieven voor 2021-2022 zijn berekend op basis van gederfde inkomsten of opportunity costs, waarbij het tarief wordt gebaseerd op de gemiste rijksbijdrage bestaande uit een onderwijs- en onderzoeksdeel voor bekostigde studenten, vermeerderd met het volledig wettelijk collegegeld van het betreffende studiejaar, aldus het college van bestuur.
Het College stelt voorop dat het Inschrijvingsbesluit niet rechtstreeks ter beoordeling voorligt, maar alleen indirect aan de orde kan worden gesteld, in het kader van het beroep tegen een concreet (ander) besluit (zoals in het hierboven geschetste toetsingskader, zoals vermeld in de uitspraak van 23 oktober 2020 (CBHO 2019/112) naar voren komt). Het College merkt verder op dat in de eerdere uitspraken over het instellingscollegegeld dat appellante in eerdere studiejaren verschuldigd was (uitspraken van 22 augustus 2019 en 23 oktober 2020 en 18 oktober 2021) is geoordeeld over de manier waarop de hoogte van het instellingscollegegeld is vastgesteld. Het College merkt op dat het, in het licht van deze eerdere uitspraken, op de weg van appellante ligt om concrete aanknopingspunten te bieden dat en waarom aanleiding bestaat om in dit opzicht tot een ander oordeel te komen. Het College ziet in wat appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college van bestuur bij de motivering van de hoogte van het instellingscollegegeld niet ervan uit mag gaan dat voor studenten zoals appellante geen bekostiging wordt gegeven en ziet ook verder onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan is gegeven in de eerdere uitspraken. Het College ziet geen aanknopingspunten dat het toepassen van het instellingscollegegeld tot onevenredige gevolgen (en in het verlengde daarvan tot strijd met het evenredigheidsbeginsel) leidt. Hierbij neemt het College het volgende in ogenschouw.
Het College heeft in haar eerdere uitspraken van 22 augustus 2019 (CBHO 2019/048), 23 oktober 2020 (CBHO 2019/112) en 18 oktober 2021 (CBHO 2021/009, zie www.cbho.nl) al geoordeeld dat appellantes persoonlijke omstandigheden niet noodzaken tot toepassing van de hardheidsclausule. In de uitspraak van 22 augustus 2019 is daarbij (onder meer) betrokken dat appellante bij het begin van haar bacheloropleiding wist dat zij, als zij haar opleiding niet binnen de nominale duur voor een deeltijdopleiding zou afronden, het instellingscollegegeldtarief diende te gaan betalen, zodat zij niet in de loop van de opleiding onverwachts is geconfronteerd met dit tarief. Ook heeft het College in die uitspraak aangegeven dat het college van bestuur appellante nog een extra kans heeft gegeven door haar ook in het studiejaar 2017-2018 te laten studeren tegen het instellingscollegegeld ter hoogte van het wettelijk collegetarief. Dat appellante het instellingscollegegeld niet kan betalen, maakt het in rekening brengen ervan op zichzelf niet onevenredig (zoals het College eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 oktober 2020 (CBHO 2019/112). Dat appellante alleen nog haar scriptie hoeft te schrijven, maakt ook niet dat sprake is van een bijzonder geval van onbillijkheid van overwegende aard dat tot toepassing van de hardheidsclausule noopt (zie de uitspraak van het College van 22 augustus 2019 (CBHO 2019/048).
Het College stelt thans vast dat appellante wat betreft de toepassing van de hardheidsclausule geen wezenlijk andere omstandigheden naar voren heeft gebracht dan in de eerdere procedures. Het College ziet daarom geen reden om nu tot een ander oordeel te komen dan in de genoemde eerdere uitspraken. Over de stelling van appellante dat zij recht had op een lager collegegeld-tarief tot 1 februari 2019, merkt het College op dat die niet ziet op het studiejaar 2021-2022. Zoals hiervoor is overwogen, valt een stelling die op de eerdere studiejaren betrekking heeft buiten de omvang van het geding. Het College zal zich dus niet uitlaten over het collegegeld dat appellante in eerdere studiejaren verschuldigd was. Aangezien appellante deze gang van zaken in het verleden ten grondslag legt aan haar stelling dat zij in het voorliggende studiejaar 2021-2022 een extra half jaar studie voor een lager tarief zou moeten kunnen verkrijgen, heeft het college van bestuur - nu in de beoordeling van zaken uit het verleden niet kan worden getreden - ook in die stelling geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. 
De betogen slagen niet.
2.5.4. Verder merkt het College op dat in de eerdergenoemde uitspraak van 22 augustus 2019 (CBHO 2019/048) het volgende is overwogen: “Ook het beroep van appellante op artikel 13, lid 2, sub c, van het Internationaal Verdrag voor de Economische, Sociale en Culturele Rechten en artikel 10 van het Europees Sociaal Handvest faalt. Anders dan appellante betoogt, rust op verweerder niet een positieve verplichting om zorg te dragen voor hoger onderwijs op de door appellante gewenste wijze. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het instellingscollegegeldtarief ziet op een tweede studie van appellante in het hoger onderwijs en het tarief volgens verweerder verband houdt met de onderwijskosten. In de uitspraak van 18 oktober 2021 (CBHO 2021/009, zie overweging 2.6.5) heeft het College zich bij dit oordeel aangesloten. 
Het College ziet thans geen aanknopingspunten om op dit punt tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraken van 22 augustus 2019 en 18 oktober 2021 is gegeven. 
Het betoog slaagt niet.