Uitspraak CBHO 2021/103

Bestreden beslissing:

Bij beslissing van 26 februari is appellante op basis van de score 5 punten toegelaten tot de tweede ronde van de selectie. 
Het college van bestuur van de Vrije Universiteit heeft het bezwaar van appellant tegen die beslissing wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de beslissing op bezwaar heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Gegrond.

Hoofdoverwegingen:

Beoordeling door het College
2.4. Het College stelt vast dat in de inleiding van het bezwaarschrift van appellante is gesteld dat bezwaar wordt ingediend tegen “de beslissing d.d. 26 februari 2021 (en daarin vervatte beslissing d.d. 15 april)”, zodat het (naar tekst) ook is gericht tegen het besluit van 15 april 2021. Verder valt uit het (aanvullend) bezwaarschrift af te leiden dat de eindscore van 0,501 (die werd bepaald in het besluit van 15 april 2021) inhoudelijk aan de orde werd gesteld.
Het College is daarom van oordeel dat het bezwaar van appellante, naar tekst en strekking, mede was gericht tegen het besluit van 15 april 2021. Dit betekent dat het college van bestuur dit bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. 
Het betoog slaagt.
[…]
De puntentoekenning in de eerste selectieronde
2.6. Naar het oordeel van het College kan het college van bestuur niet gevolgd worden in zijn standpunt dat de puntentoekenning van de eerste selectieronde al in rechte vast staat. Hiertoe merkt het College het volgende op. 
Het rangnummer is tot stand gekomen door zowel de resultaten van de eerste selectieronde als van de tweede selectieronde mee te wegen. De puntentoekenning van de eerste selectieronde is dus mede dragend geweest voor de uiteindelijke toekenning van het rangnummer. Verder bestond er voor appellante eerst aanleiding om de puntentoekenning uit de eerste selectieronde ter discussie te stellen, in het kader van haar bezwaar tegen het besluit van 15 april 2021, aangezien pas uit dat besluit bleek dat haar op basis van het rangnummer geen opleidingsplaats werd aangeboden. 
Gezien het vorenstaande zal wat appellante tegen de puntentoekenning uit de eerste selectieronde naar voren heeft gebracht inhoudelijk worden beoordeeld. 
 
Nadere toelichting van het college van bestuur op het toegekende puntentotaal van 5
[…]
2.9. Het College stelt vast dat het college van bestuur heeft toegelicht hoe de score van appellante tot stand is gekomen. Op de nadere zitting heeft het college van bestuur per activiteit een nadere toelichting op het scoreformulier gegeven. Daarbij is niet gebleken dat het dossier van appellante onzorgvuldig is beoordeeld. Het College tekent hierbij aan dat terzake van de activiteit “begeleiden cliënten verzorgingstehuis Cordaan” het college van bestuur slechts beschikte over een versie waarin onder het veld “specifieke periode” de term “helpende” stond. Zelfs al zou appellante worden gevolgd in haar standpunt dat zij voor die activiteit wel de juiste periode had ingevuld, dan is naar het oordeel van het College nog steeds aannemelijk dat extra puntentoekenning voor die activiteit niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid dan dat aan appellante geen opleidingsplaats zou worden aangeboden voor de opleiding Geneeskunde. Verder heeft het college van bestuur (wat betreft activiteit 3) toegelicht dat het maken van de genoemde website en het werken in de (web)winkel beide bij de beoordeling zijn betrokken, maar dat hieraan slechts 1 punt is toegekend, welk punt is gegeven voor het maken van de website. Gelet op de aard van de daarbij eveneens beoordeelde activiteit “werken in de webshop”, ziet het College geen tekortkomingen in de onderbouwing van het college van bestuur om daarvoor geen extra punten toe te kennen. Verder ziet het College geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college van bestuur gehouden was om meer dan 6 activiteiten te beoordelen, zodat het college van bestuur de meeloopstage (omdat dat de zevende activiteit betrof) buiten de beoordeling mocht laten. Hierbij tekent het College aan dat, indien in plaats van de activiteit “begeleiden cliënten verzorgingstehuis Cordaan” de meeloopstage zou zijn beoordeeld, aannemelijk is dat extra puntentoekenning voor die activiteit niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid dan dat aan appellante geen opleidingsplaats zou worden aangeboden voor de opleiding Geneeskunde. 
Gezien het vorenstaande ziet het College in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de vaststelling van het rangnummer op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Gelet hierop ziet het College aanleiding om zelf in deze zaak te voorzien en het bezwaar van appellante alsnog ongegrond te verklaren.