Uitspraak CBHO 2022/012

Bestreden beslissing:

De dienst Finance en Control heeft appellant bericht dat hij collegegeld verschuldigd is voor periode november 2018 - augustus 2019.
De directeur van de dienst Finance en Control van Zuyd Hogeschool heeft het bezwaar van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing op bezwaar heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO:

Gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.5.1. Niet in geschil is dat appellant geen verzoek tot uitschrijving via Studielink heeft ingediend. Het College stelt vast dat appellant in januari 2019 op gesprek is geweest bij het IO. Ter zitting van het College heeft het college van bestuur dit niet als zodanig betwist. Hoewel thans niet kan worden vastgesteld wat er precies is besproken tussen appellant en het IO nu daarvan geen stukken zijn, acht het College het aannemelijk dat appellant in ieder geval bij het IO heeft aangekaart dat hij wil stoppen met zijn opleiding. Vervolgens heeft appellant op 31 januari 2019 een brief van de hogeschool ontvangen waarin hij is gewezen op het achterstallige collegegeld en hem is meegedeeld dat als hij het collegegeld niet binnen veertien dagen voldoet, zijn inschrijving als student zal worden beëindigd, wat betekent dat hij niet langer studiefinanciering zal ontvangen en zijn OV-kaart zal worden ingetrokken en zijn account van de hogeschool zal worden geblokkeerd. Vaststaat dat appellant vervolgens het collegegeld niet heeft betaald en dat hij vanaf januari 2019 geen onderwijs meer heeft gevolgd of examens heeft gedaan aan de hogeschool. Ook staat vast dat de pasjes en het account van de hogeschool vervolgens zijn geblokkeerd. In de periode van 31 januari 2019 tot 25 juli 2019 heeft appellant vervolgens niets meer van de hogeschool gehoord over de beëindiging van zijn inschrijving. Het eerstvolgende signaal dat appellant kreeg van de hogeschool waaruit hij kon opmaken dat de inschrijving toch niet was beëindigd, was de brief van de hogeschool van 25 juli 2019, waarin werd aangegeven dat het bedrag aan achterstallig collegegeld nog steeds niet volledig was voldaan, zodat de inschrijving als student was beëindigd. Gelet op deze gang van zaken is begrijpelijk dat appellant ervan uitging dat zijn inschrijving beëindigd was conform aankondiging in de brief van 31 januari 2019. Het College is dan ook van oordeel dat de hogeschool in de specifieke omstandigheden van dit geval geen collegegeld van appellant had mogen vorderen over de periode van januari 2019 tot en met augustus 2019. Tussen partijen is niet in geschil dat over de maanden november en december 2018 wel collegegeld verschuldigd is. 
De beroepsgrond van appellant slaagt.