Uitspraak CBHO 2022/017

Bestreden beslissing:

De examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid heeft aangegeven welke onderdelen appellant (opnieuw) dient af te ronden om een getuigschrift te kunnen verkrijgen.

Het CBE van de Universiteit Maastricht heeft het administratief beroep van appellant gegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.3. Naar aanleiding van de beslissing van verweerder heeft de examencommissie bij beslissing van 17 december 2021 opnieuw beslist op het verzoek van appellant om te worden ingeschreven voor de Bachelor ELS-RT. Het College overweegt dat deze beslissing niet kan worden aangemerkt als een beslissing in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarvoor is noodzakelijk dat die beslissing afkomstig is van hetzelfde bestuursorgaan dat de eerdere, in beroep ter discussie staande, beslissing heeft genomen. Dat is hier niet het geval nu de beslissing van 17 december 2021 niet van verweerder, maar van de examencommissie afkomstig is. Artikel 6:19 van de Awb mist dan ook toepassing en het beroep van appellant is dus niet van rechtswege gericht tegen de beslissing van de examencommissie. Het College stelt verder vast dat appellant geen administratief beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de examencommissie. Dat betekent dat die beslissing inmiddels onherroepelijk is geworden. Het College bespreekt hierna dus uitsluitend het beroep gericht tegen de beslissing van verweerder van 13 december 2021. 
[…]
2.5. Het College overweegt dat in de overwegingen van de beslissing van verweerder is opgenomen dat de beslissing van de examencommissie van 13 juli 2021 niet van een dragende motivering is voorzien, hetgeen volgens verweerder ertoe leidt dat die beslissing moet worden vernietigd. Dat verweerder in het dictum van de beslissing vervolgens heeft nagelaten de beslissing van de examencommissie te vernietigen, beschouwt het College als een kennelijke omissie. Immers, uit de overwegingen blijkt dat uitdrukkelijk is beoogd op de voet van artikel 7.61, vijfde lid, van de WHW die beslissing te vernietigen en de examencommissie op te dragen opnieuw een beslissing te nemen. Ook de examencommissie gaat daar van uit. Het betoog van appellant op dit punt slaagt niet. 
Het College stelt vast dat de bacheloropleiding ELS werd aangeboden in twee varianten, te weten, de zogenoemde regular track, Bachelor ELS-RT, en de zogenaamde "English language track", de Bachelor ELS-ELT. Inschrijving als eerstejaars in de bachelor ELS in de vorm van de "regular track" is met ingang van het academisch jaar 2015/2016 niet meer mogelijk. Dit brengt mee dat de mogelijkheid om binnen de Bachelor ELS af te studeren in de variant Bachelor ELS-RT per 1 september 2019 is vervallen. Het College stelt vast dat niet in geschil is dat verweerder de beslissing tot beëindiging van deze afstudeervariant rechtsgeldig heeft genomen en dat de beslissing tot beëindiging van de regular track tijdig, te weten vanaf het academisch jaar 2015/2016, aan studenten is bekendgemaakt. Gezien het uittreksel in het CROHO constateert het College dat de Bachelor ELS weliswaar nog steeds bestaat, maar dat alleen nog kan worden afgestudeerd in de variant Bachelor ELS-ELT. Anders dan appellant stelt, volgt uit het CROHO niet dat het mogelijk is af te studeren in de variant Bachelor ELS RT. Het betoog van appellant op dit punt slaagt evenmin.
Over het betoog van appellant dat verweerder in zijn beslissing ten onrechte de examencommissie heeft opgedragen om twee door haar aangedragen opleidingen te onderzoeken, overweegt het College als volgt. Verweerder heeft overwogen dat de examencommissie moet onderzoeken of aansluiting kan worden gezocht bij het programma van de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid (oud), of aansluiting bij het programma van de Bachelor ELS-ELT. Dat staat er niet aan in de weg dat door de examencommissie andere mogelijkheden worden gezocht om in overleg met appellant te bezien of het uiteindelijke doel van het verzoek van appellant om binnen een bestaande opleiding af te studeren kan worden bereikt. Overigens blijkt uit de nieuwe beslissing van de examencommissie, en uit hetgeen ter zitting van het College is besproken, dat de examencommissie ook daadwerkelijk bereid is om met appellant te kijken naar de mogelijkheden van een op hem toegesneden, individueel studietraject. Ook dit betoog van appellant slaagt dus niet. .