Uitspraak CBHO 2021/132

Bestreden beslissing:

De examinator heeft onderdelen van  de onderwijseenheid Course Seminar Economics of the Public Sector met een onvoldoende beoordeeld.
De examencommissie van de Erasmus School of Economics heeft afwijzend beslist op het verzoek om een herkansing.
Het CBE van de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft het administratief beroep van appellant tegen de beoordelingen niet-ontvankelijk verklaard en ongegrond voor wat betreft de geweigerde herkansing. 
Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: 

Ongegrond.

 

Hoofdoverwegingen:

2.5. Het College kan verweerder en de examencommissie volgen in hun standpunt dat artikel 15, achtste lid, van de OER niet op het Seminar van toepassing is. Zoals de examencommissie uiteen heeft gezet in haar bij verweerder ingediende verweerschrift, is het Seminar niet een vak als bedoeld in artikel 2, onder n, maar een werkcollege als bedoeld in artikel 2, onder o, van de OER. Op een werkcollege is niet het achtste, maar het negende lid van artikel 15 van de OER van toepassing. Dat het Seminar voor meer dan 50% uit groepsopdrachten bestond, is dus niet in strijd met artikel 15, achtste lid, van de OER.

In zoverre faalt het betoog.

2.6. Het College volgt appellant niet in zijn stelling dat hij onvoldoende begeleiding heeft gekregen. Uit het door de examencommissie bij verweerder ingebrachte commentaar van de docenten komt naar voren dat appellant bij de twaalf discussierondes weliswaar heeft ingebeld, maar niets heeft gezegd. Dit terwijl studenten door middel van de handopsteekfunctie van Zoom inbreng konden leveren, de helft van de discussies doorgingen totdat niemand meer iets had in te brengen en de docenten actief hebben gemodereerd, zodat niet steeds dezelfde studenten aan het woord waren. Verder hebben de docenten na de eerste drie discussierondes een aantal studenten, onder wie appellant, er via e-mail op gewezen dat zij tot op dat moment onvoldoende actief aan de discussies hebben deelgenomen en dat actieve deelname een beoordelingscriterium is. Alleen al hierom kon het appellant naar het oordeel van het College duidelijk zijn wat van hem werd verwacht en hoe hij zijn optreden kon verbeteren. Indien het hem toch niet helemaal duidelijk was, had appellant naar aanleiding van de e-mail nog contact met de docenten kunnen opnemen, wat hij, anders dan een aantal andere studenten, niet heeft gedaan. Het College ziet ook niet dat appellant onvoldoende feedback op het onderdeel Writing a research paper on policy economics is geboden. Uit commentaar van de betrokken docent komt naar voren dat appellant en de medestudent met wie hij aan het onderdeel deelnam, feedback is gegeven op de eerste, onvoldoende versie van het Research proposal. Hoewel de verbeterde versie nog steeds onvoldoende was, heeft de docent appellant en de medestudent niet meteen laten zakken, maar hen feedback gegeven en de kans geboden de Research paper in te leveren. Daarbij heeft de docent erop gewezen dat er geen officiële feedbacksessies meer waren, maar dat ze bij dringende vragen altijd contact mochten opnemen. Anders dan appellant, heeft de medestudent hiervan gebruik gemaakt en twee keer per e-mail contact met de docent opgenomen. Naar aanleiding van het e-mailcontact heeft de docent nog een Zoom-sessie met de medestudent gehad.

Ook in zoverre faalt het betoog.