Uitspraak CBHO 2022/038

Bestreden beslissing:

De examinator heeft het major project beoordeeld met een 5 en de verdediging met een 5. De examencommissie heeft afwijzend beslist op een verzoek om herkansing.
Het CBE van Hogeschool van Arnhem en Nijmegen heeft het administratief beroep tegen de beoordelingen ongegrond verklaard.
Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.
 

Hoofdoverwegingen:

2.5. Zoals in 2.1 is vermeld, bestaat het ‘Major Project’ uit een vijftal onderdelen, waarbij het laatste onderdeel de verdediging van het ‘MP-report’ betreft. Voordat een student het ‘MP-report’ mag verdedigen, moet hij op de eerste vier onderdelen een ‘Pass’ en vervolgens een ‘Go’ hebben ontvangen voor de mondelinge verdediging. Zoals ook door verweerder op zitting is verduidelijkt volgt uit de Onderwijs- en Examenregeling en de studiehandleiding dat de beoordeling van de eerste vier onderdelen geen inhoudelijke beoordeling betreft, maar een toetsing of aan de vormvereisten van het ‘MP-report’ is voldaan. Dat een ‘Go’ wordt gegeven betekent dus nog niet dat het ‘MP-report’ inhoudelijk voldoende is. De beoordeling van de inhoud vindt namelijk aan het eind plaats, wanneer de student zijn ‘MP-report’ mondeling heeft verdedigd. Uit de omstandigheid dat appellant na de eerste vier onderdelen een ‘Go’ heeft ontvangen, mocht appellant dan ook niet afleiden dat hij daarmee het ‘Major Project’ met een voldoende zou afsluiten. Dit staat, zoals ook in de beslissing van verweerder met juistheid is opgemerkt, ook uitdrukkelijk in de studiehandleiding vermeld. Appellant kon en behoorde daarvan op de hoogte te zijn. Verder betekent het enkele feit dat appellant de ontvangen feedback heeft verwerkt nog niet dat hij daarmee een voldoende moet krijgen. Zoals hiervoor is overwogen, vindt de inhoudelijke beoordeling pas op het eind plaats. Daarnaast heeft verweerder op zitting toegelicht dat de feedback die is gegeven, is bedoeld om te bepalen of de student een ‘Go’ of ‘No Go’ krijgt. Ook heeft verweerder toegelicht dat sommige feedback tijdens de mondelinge verdediging aan de orde is gesteld. Dat betrof een element dat volgens de feedback had moeten worden besproken, maar ontbrak (de roll over gevoeligheid van de tuk tuk). Aangezien daar een goede reden voor kon zijn, is appellant daarop bevraagd tijdens de mondelinge verdediging. Verweerder heeft toegelicht dat appellant de aan hem gestelde vragen op dat punt niet goed kon beantwoorden. Voor zover appellant betoogt dat de verkregen en verwerkte feedback tot een hoger cijfer had moeten leiden, overweegt het College dat het, gelet op het beperkte toetsingskader, zoals opgenomen in overweging 2.4, niet een oordeel mag geven over de vraag of de gegeven en verwerkte feedback tot een hogere beoordeling van het ‘Major Project’ had moeten leiden. Een beoordeling van het kennen en kunnen van een student is namelijk voorbehouden aan de examinator, de examencommissie en het college van beroep voor de examens (zie CBHO 2021/122, www.cbho.nl).
Over het betoog van appellant dat de examencommissie hem een herkansing had moeten bieden, overweegt het College als volgt. Verweerder heeft toegelicht dat de student vijf maanden de tijd krijgt om het ‘MP report’ te schrijven. Als de student daarom verzoekt, kan hij standaard twee maanden uitstel krijgen om zijn ‘MP report’ af te ronden. Verder uitstel is slecht mogelijk als zich bijzondere omstandigheden voordoen. Vaststaat dat appellant niet van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Verweerder heeft gelet op het voorgaande voldoende gemotiveerd waarom het ‘MP-project’ in beginsel niet kan worden herkanst. Uitzondering is slechts mogelijk op grond van de hardheidsclausule. Het College overweegt dat de examencommissie in de door appellant aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien de hardheidsclausule toe te passen. De omstandigheid dat het visum van appellant na zes maanden zou aflopen, is daarvoor onvoldoende. De omstandigheid dat hij ingeschreven is gebleven, is eveneens onvoldoende. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het tot de verantwoordelijkheid van de student behoort om na te gaan of hij ingeschreven wil blijven staan voor de opleiding. De examencommissie heeft gelet op het voorgaande het verzoek van appellant om hem een herkansing te bieden, mogen afwijzen. 
Het betoog slaagt niet.