Uitspraak CBHO 2021/144

Bestreden beslissing:

De BSA-commissie van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde heeft namens de decaan aan appellant een bindend negatief studieadvies verstrekt voor de opleiding Business Administration.
Het CBE van de Universiteit van Amsterdam heeft het administratief beroep van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.
Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: 

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.5. In hetgeen appellant aanvoert ziet het College geen grond voor het oordeel dat de beslissing van verweerder niet in stand kan blijven. Verweerder heeft zich evenals de BSA-commissie op het standpunt mogen stellen dat onvoldoende vertrouwen bestaat dat appellant binnen redelijke termijn de voltijdse bacheloropleiding Business Administration zal afronden en op dit moment aldus niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding. Het College overweegt hiertoe dat verweerder heeft kunnen vaststellen dat ook als de gemelde omstandigheden van appellant bij de beoordeling van de studievoortgang worden betrokken er onvoldoende perspectief bestaat dat appellant zijn studie binnen een redelijke termijn zal voltooien. Verweerder heeft dat mogen baseren op de geringe studievoortgang in het tweede jaar van de studie. Appellant heeft toen immers slechts 12 studiepunten behaald aan eerstejaars- en 6 studiepunten aan tweedejaarsvakken. Uit de persoonlijke omstandigheden kan deze beperkte voortgang niet voldoende worden verklaard. Verweerder heeft er, in navolging van de BSA-commissie, naar het oordeel van het College verder terecht op gewezen dat het op de weg van appellant lag om zijn persoonlijke omstandigheden tijdig kenbaar te maken, zodat op zorgvuldige wijze had kunnen worden vastgesteld of een causaal verband bestond tussen die omstandigheden en de studieresultaten. In de brieven van 27 januari 2020, 3 september 2020 en 20 juli 2021 is appellant hierop ook nadrukkelijk gewezen. Ook de algemene informatie op de website van de onderwijsinstelling maakt melding van de voortgangseisen en de gevolgen bij het niet behalen daarvan. Door zijn problemen pas op 28 juli 2021, aan het eind van het studiejaar, te melden heeft appellant de onderwijsinstelling de mogelijkheid ontnomen om hem te adviseren over de (on)mogelijkheden om de studie (in aangepaste vorm) te vervolgen, of werkcolleges te volgen op andere momenten. Uit de overige gegevens in het dossier volgt niet dat verweerder zich anderszins, gelet op de behaalde resultaten en het aantal tentamenkansen, niet op het standpunt heeft mogen stellen dat appellant niet geschikt werd geacht voor de opleiding. 
2.5.1. Dat het appellant naar eigen zeggen veel moeite en tijd heeft gekost om bewijsstukken te verzamelen over zijn ziekenhuisopnames werpt hierop geen ander licht. Dat geldt ook voor nader bewijs dat appellant nu nog zou kunnen leveren. Appellant zou zich ook zonder deze stukken bij een decaan of studieadviseur hebben kunnen melden. 
2.5.2. Anders dan appellant meent is hij ten opzichte van studenten in latere studiejaren niet benadeeld. Weliswaar hoeven studenten in het studiejaar 2021-2022 maar 42 studiepunten aan eerstejaarsvakken te halen, maar zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht moeten die punten niet over een periode van twee jaar, maar over een periode van één jaar worden behaald en moeten alle 60 punten van de propedeuse binnen twee jaar zijn behaald.