Uitspraak CBHO 2022/011

Bestreden beslissing:

De examencommissie heeft namens het instellingsbestuur aan appellant een bindend negatief studieadvies verstrekt voor de opleiding Bestuurskunde.
Het CBE van de Hogeschool van Amsterdam heeft het administratief beroep van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.
Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: 

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.5. De betrokkenheid bij het geven van een BNSA van een docente die aan appellant een onvoldoende heeft gegeven voor een door haar getentamineerd vak, maakt niet dat verweerder tot het oordeel zou hebben moeten komen dat het BNSA niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Niet betwist is dat de desbetreffende docente in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7.12a van de WHW in de examencommissie is benoemd. De door haar gegeven beoordeling van het vak is door appellant ook niet in bezwaar aangevochten. Verweerder heeft er, ter onderbouwing van de objectiviteit van deze docente, nog op gewezen dat zij voorafgaand aan de vaststelling van het cijfer voor het tentamen van appellant een collega (informeel) heeft benaderd om zijn oordeel over dat tentamen te geven, waarbij deze tot dezelfde waardering is gekomen. Appellant heeft het cijfer ook niet aangevochten. Voor een objectieve beoordeling van de vraag of aan een student een BNSA kan worden gegeven, bevat artikel 7.12a van de WHW ook overigens voldoende waarborgen waar het gaat om de rol van de examencommissie.
2.6. De omstandigheden waarop appellant heeft gewezen zijn weliswaar niet opgenomen in artikel 5.4 van de OER, maar gelet op artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Uitvoeringsbesluit WHW kunnen deze wel in de beoordeling van de examencommissie worden betrokken. Ook voor deze omstandigheden heeft te gelden dat zij in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.4, tweede lid, van de OER tijdig moeten worden gemeld. In hetgeen appellant aanvoert, ziet het College geen grond voor het oordeel dat de beslissing van verweerder niet in stand kan blijven. Verweerder heeft terecht geconstateerd dat ook als de gemelde omstandigheden van appellant - voor zover deze op basis van de beperkte informatie daarover van de zijde van appellant objectief zijn vast te stellen - bij de beoordeling van de studievoortgang worden betrokken, de conclusie van de examencommissie kan worden gevolgd dat er onvoldoende perspectief bestaat dat appellant zijn studie binnen een redelijke termijn zal voltooien. Appellant heeft in het tweede studiejaar slechts 25 punten behaald, waarvan 15 van het eerste leerjaar. Appellant was met de brieven van 15 januari 2021 en 7 april 2021 op de hoogte van de mogelijke gevolgen van het niet tijdig behalen van zijn eerstejaarsvakken. Daarbij komt dat appellant de omstandigheden die tot studievertraging hebben geleid pas in een zo laat stadium bij de onderwijsinstelling heeft gemeld en deze zo summier heeft onderbouwd, dat, conform het standpunt van de studentendecaan, niet meer valt na te gaan wat de impact van die omstandigheden is geweest op het verloop van de studie. De ter zitting door appellant in algemene bewoordingen gegeven toelichting werpt daarop geen ander licht. Door (het voortduren van) zijn problemen niet te melden heeft appellant de onderwijsinstelling de mogelijkheid ontnomen om hem te adviseren over de mogelijkheden om de studie (in aangepaste vorm) te vervolgen dan wel deze tijdelijk te onderbreken.