Uitspraak CBHO 2022/036

Bestreden beslissing: 

Na de uitspraak van 2 september 2021 (CBHO 2021/058) is namens het college van bestuur opnieuw beslist op het verzoek om het wettelijk collegegeldtarief in rekening te brengen.
Het college van bestuur van de Vrije Universiteit heeft het bezwaar van appellante tegen de herziene beslissing niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de beslissing op bezwaar heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: 

Gegrond, ongegrond en verzoek afgewezen.

Hoofdoverwegingen:

2.8. Uit de hiervoor weergegeven overweging volgt dat het College van oordeel was dat aan appellante voor in ieder geval een deel van het studiejaar 2019-2020 niet het (hogere) bedrag aan instellingscollegegeld, maar een lager bedrag aan wettelijk collegegeld in rekening had moeten worden gebracht. In de nieuwe beslissing op bezwaar van 18 oktober 2021 heeft verweerder voor de periode van september 2019 tot en met maart 2020 het instellingscollegegeld in rekening gebracht. Voor de periode van april 2020 tot en met augustus 2020 heeft verweerder het wettelijk collegegeld in rekening gebracht. Daarbij is verweerder op basis van de door appellante gegeven informatie uitgegaan van de vroegst mogelijke datum van afgifte van de verblijfskaart. Gelet op het feit dat appellante eerst in maart 2020 een aanvraag bij de IND heeft ingediend, is het College van oordeel dat verweerder in zijn nieuwe beslissing op bezwaar recht heeft gedaan aan de situatie van appellante. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder was gehouden over een langere periode het wettelijk collegegeld dan wel een lager bedrag aan instellingscollegegeld in rekening te brengen. 
     Het betoog slaagt niet.
2.9. Het beroep is ongegrond. 
2.10. Voor zover appellante heeft verzocht om een schadevergoeding overweegt het College als volgt. Appellante heeft in mei 2019 bij verweerder informatie opgevraagd over de voorwaarden om het wettelijke collegegeld te betalen en over het verkrijgen van een bewijs van rechtmatig verblijf in Nederland. Volgens appellante heeft het maanden geduurd voordat verweerder heeft gereageerd op haar vragen. Door het uitblijven van een tijdig antwoord heeft zij, naar zij stelt, schade geleden. Die schade bestaat daarin dat zij maanden later dan nodig een verblijfskaart heeft gekregen die recht gaf op het betalen van wettelijk collegegeld. Als zij meteen de informatie had gekregen had zij het hele jaar wettelijk collegegeld kunnen betalen, wat betekent dat zij nu te veel heeft moeten betalen.
      Artikel 8:88, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een besluit. In dit geval staat vast dat sprake is van een onrechtmatig besluit, aangezien de beslissing van 23 april 2021 waarbij is beslist dat appellante voor het volle collegejaar het instellingscollegegeld moet betalen, is vernietigd. 
    Het College overweegt dat, los van het antwoord op de vraag of het verstrekken van door appellante bedoelde informatie diende ter voorbereiding van het vernietigde besluit van 23 april 2021, verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de door appellante benodigde informatie in de periode dat zij informatie opvroeg ook beschikbaar was op de website van de universiteit en bij de IND. Dat appellante die informatie heeft geraadpleegd blijkt ook uit het verslag van de hoorzitting van 20 januari 2022 bij de Geschillencommissie. Op grond van de informatie op de website van de universiteit had het appellante duidelijk kunnen en moeten zijn dat verweerder studenten alleen kan helpen bij een aanvraag voor een visum op grond van ‘studie’ en niet voor een visum op grond van een ander verblijfsrecht. Verder staat niet vast dat wanneer zij de informatie wel kort na haar eerste verzoek zou hebben gekregen, zij haar verblijfskaart voor de start van het collegejaar of kort daarna zou hebben gekregen. Dat tijdstip hangt immers af van het tijdstip van indienen van de aanvraag en het besluitvormingsproces bij de IND. Het voorgaande betekent dat het causaal verband tussen het uitblijven van een tijdig antwoord van verweerder op de door appellante gestelde vragen en de door haar gestelde schade ontbreekt.
    Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.