Uitspraak CBHO 2021/162

Bestreden beslissing:

De examencommissie ESL heeft afwijzend beslist op het verzoek om een tussentijdse herkansing voor het tentamen Goederen- en insolventierecht.
Het CBE van de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft het administratief beroep van appellante ongegrond verklaard.
Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

Over de bevoegdheid
2.5. De beslissing van 27 augustus 2021 is genomen door de examencommissie. Verweerder trekt in twijfel of deze daartoe bevoegd was. Het College deelt deze twijfel niet. Uit het systeem van de WHW, in het bijzonder de hiervoor weergegeven (delen van) de artikelen 7.10, 7.12b en 7.13, eerste en tweede lid, van de WHW vloeit voort dat een bevoegdheid als in het voorliggende geval uitgeoefend, toekomt aan de examencommissie. Het ontbreken van een nadere regeling op dit punt in de OER staat daaraan niet in de weg. Ook bijvoorbeeld artikel 39, derde lid, van de OER en artikel 22 van de Regels geven aanknopingspunten voor dit oordeel. Er is dan ook geen aanleiding de beslissing aan te merken als onbevoegd genomen.
Over de afwijzing van het verzoek
2.6. Naar het oordeel van het College heeft de examencommissie het verzoek om de extra tentamenkans van appellante mogen afwijzen. Appellante voldeed niet aan de voorwaarde dat het vak waarvoor zij de extra tentamenkans aanvroeg het laatste vak van haar bachelorfase betrof, zoals bedoeld in artikel 8, negende lid, van de Regels. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze bepaling gelet op de bewoordingen niet van toepassing is in situaties waarin de student met het halen van nog slechts één tentamen het op grond van de zachte knipregeling vereiste puntenaantal van 162 ECTS behaalt en op grond daarvan zou mogen doorstromen naar de masterfase. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen grond is voor toepassing van de hardheidsclausule. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de door appellante opgelopen studievertraging als gevolg van de ongeldigverklaring van een (ander) tentamen wegens fraude, het gevolg is van haar eigen handelen en daarom aan toepassing van de hardheidsclausule in de weg staat. Anders dan appellante meent, wordt zij daarmee niet dubbel gestraft omdat de afwijzing van haar verzoek niet op de geconstateerde fraude is gebaseerd, maar op het niet voldoen aan bovenvermeld vereiste. Dat de examencommissie met meer (persoonlijke) omstandigheden rekening had moeten houden dan zij in het kader van de beoordeling van de eventuele toepassing van de hardheidsclausule heeft gedaan, volgt niet uit hetgeen is aangevoerd. Verder is niet gebleken dat de examencommissie in gevallen die op relevante punten vergelijkbaar zijn met de situatie van appellante wél de door appellante gevraagde uitzondering heeft gemaakt. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien de beslissing van de examencommissie te vernietigen.
Het betoog faalt.